Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten
Werkgevers can be fined for not complying correctly and fully with a duty under article 10(2), and the social insurance institute may impose fines up to 10% or 100% depending on fault.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 10 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten
AI-assisted research summary: Werkgevers can be fined for not complying correctly and fully with a duty under article 10(2), and the social insurance institute may impose fines up to 10% or 100% depending on fault.
Staatsblad Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de in de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorkomende regeling inzake bestuurlijke boeten te wijzigen; De Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt als volgt gewijzigd: Artikel 12, tweede tot en met zesde lid, wordt vervangen door de volgende vijf leden: Indien de werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoet aan een op grond van artikel 10, tweede lid, geldende verplichting legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste 10% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie. Indien het aan opzet of grove schuld van de werkgever is te wijten dat niet, niet juist of niet volledig is voldaan aan een op grond van artikel 10, tweede lid, geldende verplichting, legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste 100% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De boete, bedoeld in het derde lid, wordt niet opgelegd indien de werkgever alsnog juist en volledig voldoet aan de op grond van artikel 10, tweede lid, voor hem geldende verplichting voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Voor de toepassing van deze wet wordt een krachtens het tweede of derde lid opgelegde boete als premie beschouwd, tenzij in deze wet anders is bepaald. De toerekening van de krachtens het tweede en derde lid opgelegde boeten geschiedt naar evenredigheid van de ingevolge de verschillende sociale verzekeringswetten vastgestelde premiebedragen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede, derde en vierde lid. Na artikel 12 worden vijf artikelen ingevoegd luidende: Indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen jegens de werkgever een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete, als bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid, zal worden opgelegd, is de werkgever niet langer verplicht terzake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De werkgever wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd. Indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen voornemens is om aan de werkgever een boete ingevolge artikel 12, derde lid, op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de werkgever onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid. Indien de werkgever de kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat de in de kennisgeving vermelde gronden worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen de werkgever in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat ingevolge artikel 12, derde lid, een boete wordt opgelegd. Indien de werkgever zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, en hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de werkgever kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hieraan geen behoefte bestaat. De beschikking waarbij de boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald. Indien een boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de premie, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk in de beschikking vermeld. Indien de werkgever de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat de in de beschikking vermelde informatie wordt medegedeeld in een voor de werkgever begrijpelijke taal. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar Ministerie. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien terzake van de gedraging tegen de werkgever een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van strafrecht. Het Openbaar Ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Een boete ingevolge artikel 12, derde lid, wordt opgelegd binnen een jaar nadat het Landelijk instituut sociale verzekeringen de werkgever overeenkomstig artikel 12a, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het Openbaar Ministerie aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld. Een boete wordt niet meer opgelegd, indien meer dan vijf jaren zijn verstreken sedert het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Voor zover een boete nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd. In artikel 16a, derde lid, wordt de zinsnede «de verhoging, bedoeld in artikel 12, tweede lid» vervangen door: de boete, bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid. Artikel 16b, derde lid onder d, wordt vervangen door: d. een boete, opgelegd krachtens artikel 12, tweede of derde lid, niet als premie beschouwd. Aan artikel 18 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: Het recht tot strafvordering vervalt indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de werkgever terzake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Stb. 1987, 552, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 april 1999, Stb. 211. Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Kamerstukken II 1998/1999, 26 411. Handelingen II 1998/1999, blz. 5977–5979; 1999/2000, blz. 171. Kamerstukken I 1999/2000, 26 411 (61, 61a, 61b). Handelingen I 1999/2000, zie vergadering d.d. 7 december 1999.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in