Wet van 8 mei 2003 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal
Verify source ↗ AI-assisted research summary: De officier van justitie en de rechter-commissaris kunnen een DNA-onderzoek bevelen voor het vaststellen van bepaalde uiterlijk waarneembare kenmerken van een onbekende verdachte, maar alleen bij een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid.
Staatsblad Wet van 8 mei 2003 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te regelen dat DNA-onderzoek gericht kan zijn op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte; Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd: Artikel 138a komt te luiden: Onder DNA-onderzoek wordt verstaan het onderzoek van celmateriaal dat slechts gericht is op het vergelijken van DNA-profielen of het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte. Na artikel 151c wordt een artikel ingevoegd, dat luidt: De officier van justitie kan bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte. Het DNA-onderzoek kan slechts gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek. Na artikel 195e wordt een artikel ingevoegd, dat luidt: De rechter-commissaris kan bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte. Het DNA-onderzoek kan slechts gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 2003, Stb. 143. Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Kamerstukken II 2001/2002, 2002/2003, 28 072. Handelingen II 2001/2002, blz. 5609–5621; 5769–5787; 2002/2003, blz. 375. Kamerstukken I 2002/2003, 28 072 (13, 13a, 13b, 13c). Handelingen I 2002/2003, zie vergadering d.d. 6 mei 2003.