Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017)
This text sets several tax rules, transitional rules, and administrative powers, including rules for inherited rights in a home, excise refund conditions, data sharing by Tax Administration/Toeslagen, and a possible administrative fine.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 29 Dec 2016
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017)
AI-assisted research summary: This text sets several tax rules, transitional rules, and administrative powers, including rules for inherited rights in a home, excise refund conditions, data sharing by Tax Administration/Toeslagen, and a possible administrative fine.
Staatsblad Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 0A A B 8. Indien de belastingplichtige een eigen woning heeft als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt voor de toepassing van het eerste lid als een schuld van de belastingplichtige mede aangemerkt een schuld waarvan de belastingplichtige op grond van het krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik gehouden is de kosten en lasten te dragen. C 7. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, wordt een vervreemdingssaldo eigen woning bij vervreemding van een woning die geheel of gedeeltelijk op grond van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel b, als eigen woning wordt aangemerkt niet toegevoegd aan de eigenwoningreserve voor zover dit vervreemdingssaldo betrekking heeft op het deel van de woning waarop het recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik, bedoeld in dat onderdeel, is gevestigd. D 10. Indien een schuld op grond van artikel 3.119a, achtste lid, tot de eigenwoningschuld behoort, en de belastingplichtige, bedoeld in dat lid, de partner van de erflater was, blijft het aflossingsschema van de erflater voor deze schuld van toepassing. E 3. Indien de vervreemde eigen woning, bedoeld in het tweede lid, voor de belastingplichtige een eigen woning was als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt voor de toepassing van het tweede lid als een schuld die de belastingplichtige had mede aangemerkt een schuld waarvan de belastingplichtige op grond van het krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik gehouden was de kosten en lasten te dragen. 4. Een schuld die op grond van het derde lid als restschuld van de belastingplichtige wordt aangemerkt, wordt voor de toepassing van dit artikel niet als restschuld aangemerkt van degene op wiens schuld het recht van vruchtgebruik, het recht van bewoning of het recht van gebruik, bedoeld in het derde lid, betrekking had. F 7. Tot het vermogen van de onderneming, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam. G H I J 4. Tot de schulden behoren niet schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop een vruchtgebruik als bedoeld in het derde lid rust of is gevestigd. K 17. De functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam wordt: voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, steeds geacht te zijn vervuld met behulp van een vaste inrichting in Nederland; voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b en c, steeds geacht te zijn vervuld in Nederland. L M N O 8. Indien de belastingplichtige de partner van de erflater was, wordt als een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid van de belastingplichtige tot uiterlijk het tijdstip waarop de termijn van 30 jaar, bedoeld in artikel 10bis.10, bij de erflater zou zijn verstreken mede aangemerkt een schuld voor een eigen woning waarvan de belastingplichtige op grond van een krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik gehouden is de kosten en lasten te dragen en die bij de erflater een bestaande eigenwoningschuld was. P 3. De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde voorwaarde geldt mede niet indien: het partnerschap van de belastingplichtige is geëindigd en de kapitaalverzekering in het kader van de financiële afwikkeling daarvan tot uitkering komt; de belastingplichtige schuldhulpverlening wordt geboden als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de belastingplichtige een eigen woning heeft vervreemd en hem op het moment direct na die vervreemding nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat, of Onze Minister heeft vastgesteld dat de belastingplichtige financiële problemen heeft en als gevolg daarvan niet meer in staat is de lasten met betrekking tot zijn eigen woning te voldoen of die lasten naar verwachting binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen voldoen. 11. Voor zover een uitkering uit kapitaalverzekering eigen woning in een situatie als bedoeld in het derde lid heeft gediend als aflossing van een schuld die heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning, wordt mede geacht te zijn voldaan aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a. Q R Ra 6. Artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 is van overeenkomstige toepassing. S Overgangsbepaling buitenlandse bronbelasting als voorheffing Artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, achtste lid en tiende lid, en de daarop gebaseerde bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing op geheven bronbelasting over rentebetalingen die zijn gedaan na 31 december 2015. A B C D E F Indien vóór 1 januari 2017 een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is vervreemd waarbij het bedrag van de eigenwoningschuld onmiddellijk na vervreemding van die eigen woning lager was dan het bedrag van de eigenwoningschuld van die woning onmiddellijk voorafgaande aan die vervreemding, is artikel 10bis.6, vijfde lid, tweede volzin, van die wet van overeenkomstige toepassing indien de uitkering vóór 1 juli 2017 plaatsvindt. A 7. In afwijking in zoverre van het eerste lid zijn de minimumtermijnen voor het jaarlijks voldoen van premies, bedoeld in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, niet van toepassing indien: het partnerschap van de belastingplichtige is geëindigd en de kapitaalverzekering in het kader van de financiële afwikkeling daarvan tot uitkering komt; de belastingplichtige schuldhulpverlening wordt geboden als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de belastingplichtige een eigen woning heeft vervreemd en hem op het moment direct na die vervreemding nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat, of Onze Minister heeft vastgesteld dat de belastingplichtige financiële problemen heeft en hij als gevolg daarvan niet meer in staat is de lasten met betrekking tot zijn eigen woning te voldoen of die lasten naar verwachting binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen voldoen. 8. Het zevende lid is alleen van toepassing indien de uitkering zo veel als mogelijk heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001, of als aflossing van een schuld die heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning als bedoeld in artikel 3.119aa, eerste lid, van die wet. B A B 6. Artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 is van overeenkomstige toepassing. A B aannemelijk is dat ter verkrijging van de S&O-verklaring of bij het doen van de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat een andere beslissing zou zijn genomen indien de juiste en volledige gegevens zouden zijn verstrekt;. C 2. Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, tweede, derde of vierde lid, bepaalde, legt Onze Minister van Economische Zaken aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op ter hoogte van maximaal € 2500. 4. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing. A 9. Het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, is niet van toepassing voor zover: de activiteiten, bedoeld in dat onderdeel, bestaan uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen; en die vermogensbestanddelen bij het privaatrechtelijke overheidslichaam waaraan die ter beschikking worden gesteld, worden aangewend ten behoeve van activiteiten waarvan de voordelen in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de winst. B activiteiten verricht voor: de publiekrechtelijke rechtspersoon tot wie dat privaatrechtelijke overheidslichaam in een relatie staat als bedoeld in artikel 8e, zesde lid, of voor een ander privaatrechtelijk overheidslichaam van die publiekrechtelijke rechtspersoon; of een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijk overheidslichaam in het kader van een dienstverleningsovereenkomst, indien de voordelen uit deze activiteiten bij die publiekrechtelijke rechtspersoon of dat privaatrechtelijke overheidslichaam bij het bepalen van de winst buiten aanmerking zouden blijven indien deze activiteiten door die rechtspersoon of dat lichaam zelf zouden zijn verricht en bij die publiekrechtelijke rechtspersoon of dat privaatrechtelijke overheidslichaam sprake zou zijn van activiteiten als bedoeld in onderdeel b. 3. Het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, is niet van toepassing voor zover: de activiteiten, bedoeld in dat onderdeel, bestaan uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen; en die vermogensbestanddelen bij de publiekrechtelijke rechtspersoon of het privaatrechtelijke overheidslichaam waaraan die ter beschikking worden gesteld, worden aangewend ten behoeve van activiteiten waarvan de voordelen in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de winst. Voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden mede aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige die is onderworpen aan de vennootschapsbelasting: voor de periode van 30 september 2015 tot en met 31 december 2015: SNS Holding B.V.; SNS Bank N.V.; voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015: SRH N.V.; alsmede lichamen waarin deze rechtspersonen een belang hebben en de lichamen waarvan deze rechtspersonen een bestuurder kunnen benoemen of ontslaan. A B C 3. Ingeval in de aangifte een beroep is gedaan op de vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, onder c, of onderdeel 7°, voor een schenking als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijn van drie jaren verlengd met twee jaren. D 6. Tot het vermogen van de onderneming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 1°, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam. E A B C 1. Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor motorbrandstof die geheel of gedeeltelijk bestaat uit: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van de Richtlijn hernieuwbare energie indien die biobrandstof voldoet aan duurzaamheidscriteria als bedoeld in artikel 17 van die richtlijn, blijkend uit een audit uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige of uit een andere wijze als bedoeld in artikel 18 van die richtlijn; hernieuwbare brandstof als bedoeld in artikel 9.7.1.1 van de Wet milieubeheer waarvoor een verklaring van de verificateur hernieuwbare brandstof als bedoeld in artikel 9.7.4.4, tweede lid, van die wet is afgegeven. 2. Teruggaaf van accijns wordt slechts verleend: over de hoeveelheid biobrandstof of hernieuwbare brandstof in motorbrandstof als bedoeld in het eerste lid, mits die biobrandstof of hernieuwbare brandstof een lagere energie-inhoud heeft dan de gelijkwaardige motorbrandstof waarvan het accijnstarief van toepassing is; en indien 10 percent of meer van de in de motorbrandstof aanwezige energie afkomstig is van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof, bedoeld in het eerste lid. 3. De teruggaaf van accijns bedraagt een percentage van het accijnstarief van de gelijkwaardige motorbrandstof, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Dit percentage is gelijk aan het verschil in energie-inhoud van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof en die van de gelijkwaardige motorbrandstof, uitgedrukt als percentage van de energie-inhoud van de gelijkwaardige motorbrandstof. 4. Voor de vaststelling van de energie-inhoud per volume van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof en die van de gelijkwaardige motorbrandstof wordt voor zover mogelijk uitgegaan van hetgeen hiertoe is opgenomen in bijlage III van de Richtlijn hernieuwbare energie. 5. De teruggaaf wordt verleend aan degene die de accijns ter zake van de uitslag tot verbruik verschuldigd is geworden. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend. 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. D 6. De inspecteur kan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, gebruikmaken van de benodigde apparatuur of dieren. 12. Indien de CO2-uitstoot niet is gemeten overeenkomstig de bijlage, genoemd in het elfde lid, maar is gemeten volgens een methode die blijkens een rechtshandeling van de Europese Commissie als rechtsopvolger moet worden beschouwd van die bijlage, wordt voor de toepassing van dit artikel de gemeten CO2-uitstoot herrekend naar een CO2-uitstoot zoals deze zou zijn vastgesteld bij toepassing van die bijlage. Deze herrekening geschiedt overeenkomstig de daartoe vastgestelde rechtshandeling van de Europese Commissie. 0A A een mengsel als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;. Aa B A B ingeval een bestuurlijke boete bij afzonderlijke beschikking is opgelegd: uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs. C 4. Indien de belanghebbende in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, wordt hij vóór de uitspraak door de inspecteur gehoord. Alle oproepingen worden gedaan op een termijn van ten minste zeven dagen. D E F materieel ten behoeve van het houden van rampenoefeningen. G H I A 7. Indien een voorschot is verleend op de voet van artikel 16 en vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar, wordt het bedrag van de tegemoetkoming ten minste gesteld op het bedrag van het verleende voorschot. B C 2. De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen waarmee op basis van een convenant wordt samengewerkt de gegevens waarvan bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald dat verstrekking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van het betreffende bestuursorgaan. A B C D E Overgangsrecht 1. De artikelen 2, eerste lid, onderdelen e en g, 4a tot en met 4k, 4m tot en met 4p, 6a en 14, vijfde lid, en de daarop gebaseerde bepalingen, zoals deze op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing ter zake van rentebetalingen die vóór 1 januari 2016 hebben plaatsgevonden. 2. De artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, 4l en 4n, zoals deze op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 4l in verband met rentebetalingen die zijn gedaan na 31 december 2015. 8. De Belastingdienst/Toeslagen kan afzien van het verlenen van een voorschot indien een aanvraag wordt ingediend door een belanghebbende die een vergrijp heeft begaan of wiens partner een vergrijp heeft begaan waarvoor hem of zijn partner een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van deze wet of op grond van de artikelen 67cc, 67d of 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of waarvoor hem of zijn partner een strafrechtelijke sanctie wegens een daaraan soortgelijk misdrijf is opgelegd, mits de bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie binnen een periode van vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk is geworden. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is, kan de Belastingdienst/Toeslagen eveneens afzien van het verlenen van een voorschot indien een aanvraag wordt ingediend door een belanghebbende wiens medebewoner een vergrijp heeft begaan of een strafrechtelijke sanctie opgelegd heeft gekregen als bedoeld in de eerste volzin. 8. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XV, onderdeel F, onder 3, en onderdeel Ic, in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, waarbij kan worden bepaald dat genoemde onderdelen van artikel XV in werking treden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015. A B Wanneer de rechtshandelingen, bedoeld in artikel 9, twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, door de Europese Commissie zijn vastgesteld en zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt dat artikel bij ministeriële regeling gewijzigd in die zin dat in dat artikel wordt verwezen naar die rechtshandelingen. Die ministeriële regeling kan voor zover nodig terugwerken tot en met de dag waarop die rechtshandelingen in werking zijn getreden. 1. Onder toepassing van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2017, met dien verstande dat artikel V voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017. 2. Artikel XI, onderdeel A, werkt terug tot en met 1 juni 2015. 3. Artikel I, onderdeel L, werkt terug tot en met 15 september 2015, 15.15 uur. 4. Artikel VI, onderdeel a, werkt terug tot en met 30 september 2015. 5. Artikel VI, onderdeel b, werkt terug tot en met 1 oktober 2015. 6. Artikel I, onderdelen M en S, artikel XI, onderdeel B, en artikel XIV, onderdelen A tot en met E, werken terug tot en met 1 januari 2016. 7. Artikel I, onderdelen F en G, en artikel VII, onderdeel D, werken terug tot en met 1 juli 2016. 8. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen IA, IIA en IIIBIS in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2017. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 34 553
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in