Wet van 8 april 2026 tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten
Deze bepaling regelt planmatige begeleiding en vergoeding voor belanghebbenden die passende arbeid zoeken, met een plicht tot uitvoering via een re-integratiebureau en een vergoeding tot 20%.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 23 Apr 2026
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 8 april 2026 tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 8 april 2026 tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten
AI-assisted research summary: Deze bepaling regelt planmatige begeleiding en vergoeding voor belanghebbenden die passende arbeid zoeken, met een plicht tot uitvoering via een re-integratiebureau en een vergoeding tot 20%.
Staatsblad Wet van 8 april 2026 tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A B artikel 110f van de Wet geluidhinder niet van toepassing is als onderzoek naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen ook vereist is op grond van regels als bedoeld in artikel 2.24 van de Omgevingswet over het beoordelen van gecumuleerd geluid,. C artikel 110f van de Wet geluidhinder niet van toepassing is als onderzoek naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen ook vereist is op grond van regels als bedoeld in artikel 2.24 van de Omgevingswet over het beoordelen van gecumuleerd geluid,. A (geldingsduur gelijkgestelde voorkeursrechten op basis van een bestemmingsplan of inpassingsplan) Als op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet vijf jaar of meer zijn verstreken nadat een voorkeursrecht, gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten respectievelijk artikel 9a, eerste lid, eerste zin, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van die wet is ingegaan, vervalt het voorkeursrecht van rechtswege als tien jaar zijn verstreken na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan respectievelijk het inpassingsplan waarop het voorkeursrecht is gebaseerd. B 3. Een lijst der geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied geldt als een besluit geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 12.36 van de Omgevingswet. A 1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 52a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen. 2. Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid. 3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten; de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert. B 1. De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 52a, eerste lid, onderdeel a, en het plan, nadat het is goedgekeurd door Onze Minister, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren. 2. Behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 52a, vierde lid, heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van de begeleiding en ondersteuning bij de uitvoering van het plan. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: de onderdelen van het plan, bedoeld in het eerste lid; een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding en ondersteuning; de eisen die worden gesteld aan een re-integratiebureau als bedoeld in het eerste lid; de voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten, bedoeld in het tweede lid; het bedrag dat ten hoogste op grond van het tweede lid kan worden verstrekt. 4. In de regels, bedoeld in het derde lid, kan worden gedifferentieerd naar gelang de afstand die de belanghebbende heeft tot de arbeidsmarkt. C D E 1. Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in artikel 132a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen. 2. Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid. 3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 133, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten; de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert. F 1. De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 132a, eerste lid, onderdeel a, en het plan, nadat het is goedgekeurd door gedeputeerde staten, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren. 2. Behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 132a, vierde lid, heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: de onderdelen van het plan, bedoeld in het eerste lid; een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding en ondersteuning; de eisen die worden gesteld aan een re-integratiebureau als bedoeld in het eerste lid; de voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten, bedoeld in het tweede lid; het bedrag dat ten hoogste op grond van het tweede lid kan worden verstrekt. 4. In de regels, bedoeld in het derde lid, kan worden gedifferentieerd naar gelang de afstand die de belanghebbende heeft tot de arbeidsmarkt. G H A B Openbaarheid 1. Bij de ombudsman berustende informatie over een onderzoek als bedoeld in artikel 9:18 of artikel 9:26, die niet is opgenomen in het rapport, is niet openbaar. 2. Voor zover een aan de ombudsman gericht verzoek op grond van de Wet open overheid betrekking heeft op door een bestuursorgaan verstrekte informatie ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 9:18 of artikel 9:26, zendt de ombudsman het verzoek ter behandeling door aan het bestuursorgaan. A B C A B C D A B C een beheersverordening is vastgesteld, maar nog niet in werking getreden, blijft het oude recht van toepassing tot dit besluit van kracht is. D (doorwerking omgevingsplan in beoordelingsregels ruimtelijke besluiten Wabo) 1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt, met dien verstande dat: als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, respectievelijk artikel 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning toch kan worden geweigerd als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, als de activiteit in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, respectievelijk artikel 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning toch kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het omgevingsplan, en bij het met toepassing van artikel 6.17 van de Wet ruimtelijke ordening aan de omgevingsvergunning verbinden van het voorschrift dat de vergunninghouder een exploitatiebijdrage is verschuldigd, het omgevingsplan in acht wordt genomen, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die betrekking heeft op een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening. 2. Artikel 4.3 is in die gevallen niet van toepassing. E F G (regels in exploitatieplannen) 1. Regels in een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden voor de toepassing van afdeling 13.6 van de Omgevingswet aangemerkt als: voor zover het exploitatieplan op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder m, geldt als deel van het omgevingsplan: regels als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, van de Omgevingswet, of voor zover het exploitatieplan op grond van artikel 4.13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Omgevingswet geldt als een aan een omgevingsvergunning verbonden voorschrift: voorschriften als bedoeld in artikel 13.14, derde lid, van de Omgevingswet. 2. Als het omgevingsplan drie maanden na uitvoering van de in het exploitatieplan voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen geen regels over de eindafrekening van de kosten als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Omgevingswet bevat, stelt het college van burgemeester en wethouders op dat moment een afrekening van dat exploitatieplan vast overeenkomstig artikel 6.20 van de Wet ruimtelijke ordening zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. A B A B C D 5. Als in de voorkeursrechtbeschikking, bedoeld in het eerste lid, onder c, is bepaald dat met het oog op de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd wordt overgegaan tot het vaststellen van een omgevingsvisie of een programma, komt dat voorkeursrecht alleen door vaststelling van het aangegeven document te gelden als een voorkeursrecht op grond van het eerste lid, onder b. E 4. Een voorkeursrecht waarvan op grond van het eerste lid de geldingsduur is verlengd, vervalt: bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder a, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsvisie of een programma als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b: drie jaar na de vaststelling van die omgevingsvisie of dat programma, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan, bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder b, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsplan als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na de inwerkingtreding van dat omgevingsplan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn. F 1. Een rechthebbende op een onroerende zaak gedoogt graafwerkzaamheden, meetwerkzaamheden of het aanbrengen van tekens als dit door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.4, nodig wordt geacht voor een beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor kan worden onteigend. G H I de plannen voor de verwezenlijking van het onteigeningsbelang, bedoeld onder a, en de werken, bedoeld onder b. 2. Als het onteigeningsbelang waarvoor wordt onteigend geen overheidswerk betreft, wordt voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wel rekening gehouden met voordelen die zijn ontstaan door de verwezenlijking van dat belang. J K L (beslistermijn bij jaarlijkse eindafrekening kostenverhaal) M N O P Q R S (voorschriften omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem) 1. Dit artikel geldt voor een locatie waarvoor: de geldende regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie in het omgevingsplan alleen de daarover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder c, gestelde regels omvatten, en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, een voorschrift bevatte over de toepassing van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te verbinden als het van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het te bouwen bouwwerk, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel. 2. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die niet in strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan het bevoegd gezag, als het onverminderd die regels van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw, in afwijking van artikel 5.34, eerste lid, voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die ertoe strekken dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel. T 4. Een voorkeursrecht op een zaak die deel uitmaakt van een locatie waaraan in een projectbesluit dat geldt als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een niet-agrarische functie is toegedeeld, geldt als een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover het gebruik van die locatie afwijkt van de toegedeelde functie. 5. Artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder a en b, is van overeenkomstige toepassing op een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder b of c, als de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd is toegedeeld in een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. A B C D E F G H I J A B C door een bestuursorgaan genomen besluit, aan een bestuursorgaan gedane melding, aan een bestuursorgaan verstrekte gegevens vanwege een informatieplicht, of andere gegevens waarover een bestuursorgaan beschikt, gericht op of verband houdend met het: winnen of benutten van in de ondergrond aanwezige natuurlijke hulpbronnen of het aanbrengen van een daarvoor noodzakelijke constructie; opslaan van stoffen in de ondergrond of het aanbrengen van een daarvoor noodzakelijke constructie; geschikt maken en houden van de bodemkwaliteit voor het gebruik van de bodem; of graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit waarbij de werkzaamheden onder milieukundige begeleiding zijn uitgevoerd; A B C D 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: vergunning als bedoeld in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014; verordening als bedoeld in artikel 4 van de Huisvestingswet 2014; Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; gebied dat uit een oogpunt van het functioneren van de woonruimtemarkt als een samenhangend geheel kan worden beschouwd. A B C A B C A A D B A B C D A 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: commissie van bewoners van huurwoningen in een wooncomplex, niet zijnde een huurdersorganisatie, die de belangen behartigt van de huurders van dat wooncomplex en die de huurders op de hoogte houdt van haar activiteiten en hen betrekt bij haar standpuntbepaling; ten minste eenmaal per jaar een vergadering uitschrijft voor de huurders, waarin zij verantwoording aflegt van haar activiteiten in het verstreken jaar, haar plannen voor het eerstvolgende jaar bespreekt en deze vaststelt; en alle huurders van de woongelegenheden of wooncomplexen, waarvoor zij de belangen behartigt, in de gelegenheid stelt om zich bij haar aan te sluiten; huurder van een woongelegenheid van een verhuurder, welke huurder daarin zijn hoofdverblijf heeft; vereniging of stichting, die als doelstelling heeft het behartigen van de belangen van huurders en die: van welke het bestuur wordt gekozen of aangewezen door en uit de huurders die zij vertegenwoordigt; de huurders op de hoogte houdt van haar activiteiten en hen betrekt bij haar standpuntbepaling; ten minste eenmaal per jaar een vergadering uitschrijft voor de huurders, waarin zij verantwoording aflegt van haar activiteiten in het verstreken jaar, haar plannen voor het eerstvolgende jaar bespreekt en deze vaststelt; en alle huurders van de woongelegenheden of wooncomplexen, waarvoor zij de belangen behartigt, in de gelegenheid stelt om zich bij haar aan te sluiten; Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet, dan wel een eigenaar van ten minste 25 voor verhuur bestemde woongelegenheden in Nederland, of degene die door die eigenaar gevolmachtigd is namens hem op te treden; een verzameling van ten minste 25 in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden welke financieel, administratief, qua bouwwijze of anderszins een eenheid vormen; woning; standplaats als bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wet op de huurtoeslag; en woonwagen als bedoeld in artikel 1, onder l, van de Wet op de huurtoeslag. B A B C D E A B A B C D waarvoor op laatstgenoemde 1 januari-datum een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 247b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geldt;. E F 4. In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt de waarde van een gebouwd eigendom in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het derde lid. Onder een gebouwd eigendom in aanbouw wordt verstaan een onroerende zaak of gedeelte daarvan bestaande uit een bouwwerk: waarvoor een omgevingsvergunning is vereist voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet bestaande uit een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van die wet of waarvoor geldt dat het op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet verboden is het in gebruik te nemen zonder voorafgaande melding, en dat doordat het in aanbouw is nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig zijn beoogde bestemming. De volgende wetten worden ingetrokken: De Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van diverse wetten in verband met het aantreden van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en diverse andere wijzigingen (Stb. 2008, 197); De Wet van 25 juni 2009 tot wijziging van diverse wetten op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in verband met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten, alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard (Stb. 2009, 297); De Wet van 29 april 2010 tot kleine wijzigingen en reparaties in diverse wetten op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (Stb. 2010, 187); De Veegwet wonen; De Wet van 29 mei 2019 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 ter verduidelijking van woonruimteverdeling van middenhuurwoningen en van de Woningwet ter vereenvoudiging van de goedkeuringsprocedure voor werkzaamheden die niet behoren tot diensten van algemeen economisch belang (Wet maatregelen middenhuur) (Stb. 2019, 207); De Wet van 24 maart 2021 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en de Woningwet (tijdelijke huurkorting) (Stb. 2021, 162); De Wet van 24 maart 2021 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en van de Woningwet (wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet) (Stb. 2021, 167); De Wet van 7 juli 2021 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014, de Woningwet, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet en om de mogelijkheden voor tijdelijke huurovereenkomsten te verruimen (Stb. 2021, 425). 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel III, onderdelen A, C, E en G in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. Deze wet werkt ten aanzien van artikel III, onderdelen A, C, E en G terug tot en met 12 februari 2025. 3. Aan artikel XXII kan in het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, terugwerkende kracht worden verleend. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 36 824
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 8 april 2026 tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in