Besluit van 1 juli 1998 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de invoering van de machtiging tot voorlopig verblijf (aanwijzing categorieën vrijgestelde vreemdelingen)
Deze bepaling lists categories of vreemdelingen that are exempt from needing a valid mvv.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 11 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 1 juli 1998 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de invoering van de machtiging tot voorlopig verblijf (aanwijzing categorieën vrijgestelde vreemdelingen)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 1 juli 1998 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de invoering van de machtiging tot voorlopig verblijf (aanwijzing categorieën vrijgestelde vreemdelingen)
AI-assisted research summary: Deze bepaling lists categories of vreemdelingen that are exempt from needing a valid mvv.
Staatsblad Besluit van 1 juli 1998 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de invoering van de machtiging tot voorlopig verblijf (aanwijzing categorieën vrijgestelde vreemdelingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 12 mei 1998, nr. 695843/98/6; Gelet op artikel 16a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet; De Raad van State gehoord (advies van 12 juni 1998, nr. W03.98 0210); Gezien het nader rapport van 24 juni 1998, nr. 703085/98/6; Het Vreemdelingenbesluit wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1, eerste lid, wordt de begripsomschrijving van machtiging tot voorlopig verblijf vervangen door: de machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in artikel 1 van de Wet. B Artikel 52a komt te luiden: De navolgende categorieën vreemdelingen worden vrijgesteld van het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf: a) vreemdelingen die tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun vergunning tot verblijf hebben ingediend; b) vreemdelingen die tijdig een wijziging van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend, hebben aangevraagd, voor zover het een wijziging betreft van een beperking die niet tijdelijk van aard was; c) vreemdelingen die tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun voorwaardelijke vergunning tot verblijf hebben ingediend; d) vreemdelingen die na drie jaar in het bezit te zijn geweest van een voorwaardelijk vergunning tot verblijf tijdig een aanvraag om een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden hebben ingediend; e) vreemdelingen die niet tijdig een aanvraag hebben ingediend, als bedoeld onder a tot en met d, wegens omstandigheden die hun niet zijn toe te rekenen; f) vreemdelingen die de status, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet, van rechtswege hebben verloren en een eerste aanvraag om voortgezet verblijf indienen; g) vreemdelingen die een aanvraag om wedertoelating tot Nederland indienen, die voor het bereiken van het negentiende levensjaar aantoonbaar tenminste vijf jaren onafgebroken in het bezit zijn geweest van een verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 van de Wet; h) vreemdelingen, jonger dan twaalf jaar, die een aanvraag om toelating indienen, die in Nederland zijn geboren en vanaf dat moment onafgebroken in Nederland woonachtig zijn geweest en feitelijk behoren tot het gezin van een ouder die reeds vanaf het moment van geboorte van deze vreemdeling in Nederland krachtens de artikelen 9, 9a of 10 van de Wet toelating geniet; i) vreemdelingen die een aanvraag om toelating indienen, die tenminste zeven jaren werkzaam zijn of zijn geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat; j) vreemdelingen die een aanvraag om toelating indienen die de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap hebben verloren; k) vreemdelingen als bedoeld in de artikelen 103 en 104 van dit besluit, niet zijnde gemeenschapsonderdanen, die niet tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf hebben ingediend; l) vreemdelingen die een aanvraag om toelating indienen, die in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Stb. 1966, 387, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 juli 1998, Stb. 400 Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 september 1998, nr. 170. NOTA VAN TOELICHTING Het nieuwe artikel 52a bevat de in artikel 16a, vierde lid, van het voorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke vastlegging van de machtiging tot voorlopig verblijf, kamerstukken I 1997/98, 24 544, nr. 25) bedoelde categorieën vreemdelingen die bij algemene maatregel van bestuur (amvb) kunnen worden vrijgesteld van het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Deze uitzonderingen, samen met de uitzonderingen die in de wet zelf zijn neergelegd in het derde lid van artikel 16a zijn deels dezelfde als de uitzonderingen die in de praktijk werden gehanteerd op basis van artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb), artikel 28, vijfde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) en in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1994/13 van 27 december 1994, welke naar aanleiding van de uitspraak van de zogeheten Rechtseenheidskamer (REK) van 16 maart 1995 (AB 1996, 8) met TBV 1995/3 zijn komen te vervallen. Categorieën die niet meer zijn opgenomen in het voorstel van wet en in de amvb zijn: – Vreemdelingen die voldoen aan de voorwaarden van het beleid inzake langdurig illegalen (TBV 1994/13, onder e): deze uitzondering is niet meer opgenomen omdat de beleidsregel waarop zij is gebaseerd op 1 januari 1998 is afgelopen; – Vreemdelingen die voor 1 april 1994 ingeschreven stonden in de Gemeentelijke Basisadministratie en na 1 april 1994 een aanvraag om toelating indienen, welke moeten aantonen dat zij na 1 april 1994 onafgebroken in Nederland hebben verbleven (TBV 1994/13, onder f): deze uitzonderingscategorie was indertijd een overgangsregeling bij invoering van het mvv-vereiste. In het bovengenoemde voorstel van wet inzake het mvv-vereiste is in artikel II een overgangsregeling opgenomen die er in voorziet dat in het geval een aanvraag om toelating wordt ingediend vóór inwerkingtreding van de wet, het mvv-vereiste niet zal worden tegengeworpen. Door goede voorlichting voor inwerkingtreding van het voorstel van wet wordt er voor gezorgd dat dergelijke aanvragen ook daadwerkelijk voor inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel kunnen worden ingediend. – De uitzonderingscategorie gezinsleden van EER-onderdanen (onderdanen van een van de landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte) is thans impliciet opgenomen in artikel 16a, derde lid, onder f, van het voorstel van wet. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (koppelingswet) (Stb. 1998, 203) welke ingevolge het koninklijk besluit van 2 april 1998 (Stb. 204) is voorzien op 1 juli 1998, zal in artikel 1 van de Vreemdelingenwet een definitie zijn opgenomen van de in artikel 16a, derde lid, onder f, van de Vw bedoelde gemeenschapsonderdanen, waaronder ook gezinsleden van EER-onderdanen en onderdanen van landen aangesloten bij de Europese Unie (EU-onderdanen), zelf niet zijnde EU- of EER-onderdanen, zijn begrepen. De gezinsleden van EU- en EER-onderdanen vallen namelijk eveneens rechtstreeks onder de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Verdrag van 25 maart 1957, Trb. 1957, 91)(EG-verdrag). Met betrekking tot de verschillende uitzonderingscategorieën die wel zijn opgenomen in het voorstel moge het volgende dienen: Als hoofdregel geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van deze vergunning moet worden ingediend. Daarbij geldt op grond van artikel 79 van het Vreemdelingenbesluit dat de vreemdeling de zekerheid heeft dat hij de behandeling van de aanvraag in Nederland mag afwachten indien hij de aanvraag vier weken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur heeft ingediend. Indien een vreemdeling de aanvraag niet voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning indient, wordt de vergunning tot verblijf verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ingediend of de datum waarop aantoonbaar aan de voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat deze vergunning niet in aansluiting op de eerdere vergunning wordt verleend en er geen sprake is van ononderbroken legaal verblijf in Nederland, hetgeen van belang is voor de opbouw van rechten. Tot de datum van inwerkingtreding van de wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (koppelingswet) (Stb. 1998, 203) welke ingevolge het koninklijk besluit van 2 april 1998 (Stb. 204) is voorzien op 1 juli 1998, geldt dat een aanvraag die binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning is ingediend wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. Vanaf de inwerkingtreding van de koppelingswet wordt een aanvraag die is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning getoetst aan de voorwaarden voor eerste toelating. Daaronder valt vanaf het moment van in werkingttreding van het voorstel van wet van het lid Verhagen tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke vastlegging van de machtiging tot voorlopig verblijf, kamerstukken I 1997/98, 24 544, nr. 25) ook de voorwaarde dat de vreemdeling in het bezit moet zijn van een geldige mvv. Deze uitzondering op het mvv-vereiste betreft alleen aanvragen om wijziging van de beperking voorzover het een wijziging van een beperking betreft die niet tijdelijk van aard is. Voor wijziging van een tijdelijk doel in een doel voor langer verblijf, of wijziging van het ene doel voor kort verblijf in een ander doel voor kort verblijf is op grond van het laatste deel van het gestelde onder b wel een mvv noodzakelijk voor in behandeling nemen van de aanvraag. Als tijdelijk verblijfsdoel worden in elk geval de volgende doelen aangemerkt: verblijf voor studie, verblijf als au pair, verblijf voor medische behandeling, verblijf voor familiebezoek. De praktijk heeft geleerd dat door het wijzigen van het verblijfsdoel het mvv-vereiste bewust kan worden omzeild. Vreemdelingen met een tijdelijk doel ondertekenen bij het uitreiken van de vergunning tot verblijf een bewustverklaring waarin ondubbelzinnig duidelijk is gemaakt dat het verblijf slechts voor dat specifieke tijdelijke doel is en dat men, in het geval van verstrijken van de geldigheidsduur of de intrekking van de vergunning tot verblijf, Nederland zal moeten verlaten alsmede dat een aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend slechts in behandeling wordt genomen indien de betrokkene in het bezit is van een geldige mvv. d) vreemdelingen die na drie jaar in het bezit te zijn geweest van een voorwaardelijk vergunning tot verblijf tijdig een aanvraag om een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden hebben ingediend; Voor vreemdelingen die houder zijn van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf geldt eveneens dat zij tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun voorwaardelijk vergunning tot verblijf moeten indienen. Dit geldt ook voor de aanvraag van een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard na drie jaar bezit van een voorlopige vergunning tot verblijf (vvtv). Zolang zij deze aanvragen indienen op het moment dat zij nog houder zijn van een geldige vvtv, zal het mvv-vereiste niet worden tegengeworpen. Indien zij niet tijdig een aanvraag indienen geldt ook voor hen de vrijstelling zoals onder e) weergegeven. Voor het geval ze niet onder de noemer van e) kunnen worden vrijgesteld geldt als hoofdregel dat zij een nieuwe aanvraag moeten indienen. Dit onderdeel voorziet in een vrijstelling van het mvv vereiste wanneer de aanvragen, als bedoeld onder a tot en met d, door de vreemdeling niet tijdig zijn ingediend door omstandigheden die hun niet zijn toe te rekenen. Een vergelijkbare voorziening was ook opgenomen in TBV 1994/13, onder i. Het onderhavige onderdeel is echter beperkter van aard. De uitzondering betreft alleen vreemdelingen die de aanvraag niet tijdig hebben ingediend door omstandigheden die de vreemdeling niet kunnen worden toegerekend. Slechts onder die omstandigheden wordt voor het in behandeling nemen van de aanvraag het mvv-vereiste niet tegengeworpen en kan indien aan de voorwaarden wordt voldaan de vergunning tot verblijf worden verleend in aansluiting op de inmiddels verstreken vergunning tot verblijf waarvan verlenging van de geldigheidsduur is gevraagd. De in onderdeel e van dit besluit opgenomen vrijstelling laat de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 16a, zesde lid, van de Vreemdelingenwet onverlet. Bij de wet van 23 december 1993 (Stb. 1993, 690, inwerkinggetreden op 1 januari 1994) is artikel 47 van de Vreemdelingenwet komen te vervallen. Met artikel 47 Vw werd invulling gegeven aan artikel 10, tweede lid, van de Vw. Op grond van deze bepalingen was het aan bepaalde categorieën vreemdelingen toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven. Deze zogenoemde artikel 10–2 status werd van rechtswege verkregen en beëindigd. Hoewel deze status per 7 januari 1994 niet langer van rechtswege kan worden verkregen, verblijven er nog steeds vreemdelingen in Nederland die in het bezit zijn van deze status. Op grond van het destijds bepaalde overgangsrecht is het deze vreemdelingen toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven zolang zij voldoen aan de voorwaarden op grond waarvan hun dit verblijf was toegestaan. Verder worden vreemdelingen, wier verblijf voor onbepaalde tijd ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vw, niet langer is toegestaan, in de gelegenheid gesteld tot het indienen van een aanvraag om toelating. Het overgangsrecht heeft geen termijn bepaald waarbinnen een dergelijke aanvraag moet worden ingediend. Hoewel bij amvb ter uitvoering van de koppelingswet zal worden bepaald dat deze vreemdelingen de behandeling van hun aanvraag alleen in Nederland mogen afwachten indien de aanvraag binnen 4 weken na het verval van de status is ingediend, is het niet gerechtvaardigd om deze termijn analoog toe te passen in het kader van het mvv-vereiste. Het betreft in dit geval vreemdelingen met een bijzonder verblijfsrecht die bovendien reeds minimaal sinds 7 januari 1994 in Nederland verblijven. Daarnaast verhoudt het mvv-vereiste zich niet met de bijzondere regels voor voortgezet verblijf die gelden voor de zogenoemde secundaire migranten die de artikel 10–2 status van rechtswege verliezen bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Deze vreemdelingen komen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor wedertoelating tot Nederland op grond van de beleidsregel inzake de terugkeeroptie zoals neergelegd in Hoofdstuk B 21 van de Vreemdelingencirculaire 1994. Met deze beleidsregels en de verblijfsstatus die in het geval van wedertoelating kan worden verstrekt (vergunning tot vestiging of vergunning tot verblijf zonder beperking) verhoudt zich niet dat bij een aanvraag het mvv-vereiste wordt tegengeworpen. Kinderen die in Nederland zijn geboren en waarvan een der ouders, sedert geboorte van het kind, in Nederland in het bezit is van een verblijfsrecht komen in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet indien zij feitelijk tot het gezin van deze ouder (zijn blijven) behoren. Als hoofdregel geldt dat een ouder binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind in moet dienen bij de korpschef van de gemeente waar zij verblijven om zijn of haar verblijfsrecht mede geldig te maken voor inwonende kinderen onder de 12 jaar. Vanaf 12 jaar worden deze kinderen ook feitelijk in het bezit gesteld van een vreemdelingendocument waaruit de verblijfsstatus blijkt. Is het kind evenwel niet direct na geboorte aangemeld kan tot de leeftijd van 12 jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan alsnog een vergunning tot verblijf worden verstrekt indien wordt vastgesteld dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk heeft behoort tot het gezin van de ouder die in het bezit is van een verblijfstitel. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren is het niet rechtvaardig om voor het in behandeling nemen van de aanvraag (die door de ouder wordt ingediend ten behoeve van het kind) te eisen dat het kind in het bezit moet zijn van een geldige mvv. Het mvv-vereiste geldt wel voor kinderen die buiten Nederland worden geboren in het gezin van niet-Nederlandse ouders. Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in de genoemde sectoren van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet, dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen daarom in beginsel niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot vergunningverlening voor verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied. Gelet op het feit dat deze vreemdelingen over het algemeen geen vaste woon- of verblijfplaats hebben in het buitenland en geacht worden verblijf te houden op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het continentale plat, is er geen land van bestendig verblijf van waaruit zij een mvv-aanvraag zouden kunnen indienen en kan deze eis dan ook niet worden tegengeworpen. Daarbij is meegewogen dat ze reeds tenminste zeven jaren in deze positie verkeren. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, wegtransport of binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing is en op deze categorie het algemene vreemdelingenbeleid wel van toepassing is, zijn deze vreemdelingen ten opzichte van TBV 1994/13 niet langer vrijgesteld van het mvv-vereiste. Sinds 1 oktober 1997 geldt wederom dat degene die een verzoek doet tot naturalisatie, behoudens uitzonderingsgevallen, afstand dient te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit nadat hij tot Nederlander is genaturaliseerd. Indien hij daartoe na zijn naturalisatie niet (meer) bereid is kan het koninklijk besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, worden ingetrokken. In die situatie wordt de verzoeker weer een vreemdeling die over een verblijfsrecht in Nederland moet beschikken. Gelet op het feit dat deze vreemdeling tot aan het moment van naturalisatie in het bezit is geweest van een verblijfstitel wordt in deze situatie het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Op grond van artikel 103 van het Vreemdelingenbesluit mag een vreemdeling die onderdaan is van een land dat partij is bij het Europees Vestigingsverdrag de beslissing op een aanvraag om voortgezette toelating in Nederland afwachten indien hij langer dan twee jaren rechtmatig op het Nederlands grondgebied heeft gewoond. Met deze bepaling verhoudt zich niet dat de aanvraag om voortgezette toelating buiten behandeling wordt gesteld vanwege het ontbreken van een geldige mvv, indien de aanvraag niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 104, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit kan een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf van staatlozen of verdragvluchtelingen alleen worden geweigerd op de in artikel 14 van de Vreemdelingenwet vermelde gronden. Hieruit volgt dat een niet tijdig ingediende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf niet buiten behandeling kan worden gesteld vanwege het ontbreken van een geldige mvv. Het besluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het besluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de belanghebbende een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van besluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document zoals een tewerkstellingsvergunning of een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een vergunning tot verblijf kan het ontbreken van een geldige mvv hem niet worden tegengeworpen. Het ligt in het voornemen dit besluit in werking te laten treden tegelijk met het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke vastlegging van de machtiging tot voorlopig verblijf, kamerstukken I 1997/98, 24 544, nr. 25), indien dit voorstel tot wet zal zijn verheven.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 1 juli 1998 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de invoering van de machtiging tot voorlopig verblijf (aanwijzing categorieën vrijgestelde vreemdelingen)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in