Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019)
The provision sets a 7% annual tax benefit for a bike available for private use, defines how a bike and its value are determined, and includes several dates and transitional rules.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 28 Dec 2018
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019)
AI-assisted research summary: The provision sets a 7% annual tax benefit for a bike available for private use, defines how a bike and its value are determined, and includes several dates and transitional rules.
Staatsblad Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A B 3. De artikelen 3.31, 3.42 en 3.42a vervallen met ingang van 1 januari 2024. Bijtelling privégebruik fiets 1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een fiets ter beschikking staat, wordt op jaarbasis 7% van de waarde van de fiets als onttrekking in aanmerking genomen. De fiets wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan indien de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat. 2. De onttrekking wordt in aanmerking genomen voor zover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de fiets voor eigen rekening heeft genomen. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een fiets mede verstaan een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994, indien deze mede door menselijke spierkracht wordt aangedreven en is uitgerust met een elektromotor. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de waarde van de fiets verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs van de fiets. Indien voor de fiets geen consumentenadviesprijs beschikbaar is, wordt aangesloten bij de consumentenadviesprijs van de meest vergelijkbare fiets. 1. Indien ook voor privédoeleinden een fiets ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op 7% van de waarde van de fiets. De fiets wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld indien de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking is gesteld. 2. Het voordeel wordt in aanmerking genomen voor zover het uitgaat boven de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden is verschuldigd. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een fiets mede verstaan een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994, indien deze mede door menselijke spierkracht wordt aangedreven en is uitgerust met een elektromotor. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de waarde van de fiets verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs van de fiets. Indien voor de fiets geen consumentenadviesprijs beschikbaar is, wordt aangesloten bij de consumentenadviesprijs van de meest vergelijkbare fiets. A B C De artikelen 16 en 16aa, zoals die artikelen luidden op 31 december 2019, en de daarop berustende bepalingen blijven tot en met 31 december 2022 van toepassing op situaties waarbij aanspraken op teruggaaf van belasting uiterlijk op 31 december 2019 zijn ontstaan. D A Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEG 1999, L 187); motorrijtuigen met een emissiegrenswaarde als bedoeld in de respectievelijke tabel van bijlage 0 bij de richtlijn; motorrijtuigen met een emissiegrenswaarde als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEG 2009, L 188), of een lagere emissiegrenswaarde (PbEU 2009, L 188). B 1. Het tarief bedraagt voor een tijdvak van één jaar voor motorrijtuigen: met drie assen of minder en in de categorie: 1°. EURO 0 € 1.407 2°. EURO I € 1.223 3°. EURO II € 1.065 4°. EURO III € 926 5°. EURO IV € 842 6°. EURO V € 750 7°. EURO VI en schoner € 750; met vier assen of meer en in de categorie: 1°. EURO 0 € 2.359 2°. EURO I € 2.042 3°. EURO II € 1.776 4°. EURO III € 1.543 5°. EURO IV € 1.404 6°. EURO V € 1.250 7°. EURO VI en schoner € 1.250. 2. Het tarief bedraagt voor een tijdvak van één maand voor motorrijtuigen: met drie assen of minder en in de categorie: 1°. EURO 0 € 140 2°. EURO I € 122 3°. EURO II € 106 4°. EURO III € 92 5°. EURO IV € 84 6°. EURO V € 75 7°. EURO VI en schoner € 75; met vier assen of meer en in de categorie: 1°. EURO 0 € 235 2°. EURO I € 204 3°. EURO II € 177 4°. EURO III € 154 5°. EURO IV € 140 6°. EURO V € 125 7°. EURO VI en schoner € 125. 3. Het tarief bedraagt voor een tijdvak van één week voor motorrijtuigen: met drie assen of minder en in de categorie: 1°. EURO 0 € 37 2°. EURO I € 32 3°. EURO II € 28 4°. EURO III € 24 5°. EURO IV € 22 6°. EURO V € 20 7°. EURO VI en schoner € 20; met vier assen of meer en in de categorie: 1°. EURO 0 € 62 2°. EURO I € 54 3°. EURO II € 47 4°. EURO III € 41 5°. EURO IV € 37 6°. EURO V € 33 7°. EURO VI en schoner € 33. 4. Het tarief bedraagt voor een tijdvak van één dag: € 12. 6. Indien de Euronorm van een motorrijtuig niet is geregistreerd, wordt voor de bepaling van de Euronorm uitgegaan van de datum van eerste toelating van dit motorrijtuig zoals vermeld in het kentekenregister. 7. Het motorrijtuig waarvan ten aanzien van de Euronorm geen aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs aanwezig is, wordt voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid aangemerkt als: EURO 0 – motorrijtuig wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer voor 1 juli 1992 ligt; EURO I – motorrijtuig wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer na 30 juni 1992 maar voor 1 oktober 1995 ligt; EURO II – motorrijtuig wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 1995 maar voor 1 oktober 2000 ligt; EURO III – motorrijtuig wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2000 maar voor 1 oktober 2005 ligt; EURO IV – motorrijtuig wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2005 maar voor 1 oktober 2008 ligt; EURO V – motorrijtuig wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2008 maar voor 1 januari 2013 ligt; EURO VI – motorrijtuig en schoner wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum voor de eerste toelating tot het verkeer na 31 december 2012 ligt. 6°. EURO V € 796. 6°. EURO V € 1.327. 6°. EURO V € 79. 6°. EURO V € 132. 6°. EURO V € 21. 6°. EURO V € 35. A Aa 1. Vrijgesteld is de afgifte ter verwijdering of overbrenging ter verwijdering van afzonderlijk aangeboden asbest en asbesthoudende producten die toegepast zijn geweest als dakbedekking. 2. Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend. B C D Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag vindt bij het begin van het kalenderjaar 2019 geen toepassing op de bedragen genoemd in artikel 28 van die wet. A verduurzaming van huurwoningen;. B een verduurzaming van categorie 1: € 10.000 per verduurzaamde huurwoning; een verduurzaming van categorie 2: € 7.000 per verduurzaamde huurwoning; een verduurzaming van categorie 3: € 5.000 per verduurzaamde huurwoning; en een verduurzaming van categorie 4: € 3.000 per verduurzaamde huurwoning. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen k tot en met n, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2019. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, ten minste € 25.000 per verduurzaamde huurwoning bedragen; de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, ten minste € 17.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel m, ten minste € 12.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; en de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel n, ten minste € 7.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen. C 1. Een voorgenomen investering wordt langs elektronische weg aangemeld bij Onze Minister. De aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk gedaan op: 31 december 2017 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs hoger dan of gelijk aan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, is; 31 december 2019 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 3°, 5°, 6° of 7°, betreft, dan wel indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag; 31 december 2021 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, betreft. de voorgenomen investering: bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdelen a tot en met g, voor de desbetreffende activiteit is aangevangen op of na het ten aanzien van die activiteit genoemde tijdstip; bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel h, is aangevangen op of na 1 januari 2014 en voor 31 december 2016; en bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel i, is aangevangen op of na 1 januari 2019. D ingeval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in artikel 1.2. tweede lid, onderdeel b, onder 8°: voor dezelfde investering geen subsidie is vastgesteld voor de verbetering van de energieprestatie bij of krachtens de Kaderwet overige BZK-subsidies. E 3. De opdracht, bedoeld in het eerste lid, heeft een werkingsduur van: zes jaar voor zover het activiteiten als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, betreft; tien jaar voor zover het een activiteit als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 8°, betreft. 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019, met dien verstande dat: artikel V in werking treedt op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip en, indien dit tijdstip is gelegen op of na 1 januari 2020, toepassing vindt alvorens artikel VI toepassing vindt; artikel VI in werking treedt met ingang van 1 januari 2020, dan wel, indien artikel V in werking treedt op een later tijdstip dan 1 januari 2020, op dat latere tijdstip; indien artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag bij het begin van het kalenderjaar 2019 wordt toegepast, artikel VII, onderdelen B en C, eerst toepassing vindt nadat artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag bij het begin van genoemd kalenderjaar is toegepast; artikel X toepassing vindt voordat artikel XXVII van de Wet uitwerking Autobrief II wordt toegepast; artikel XI, onderdelen A, B, C, D en E, in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 029
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in