Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320
This provision publishes the text of the Dutch Telecommunications Facilities Act and sets out definitions plus core rules on concessions, licences, service obligations, and prohibitions on using certain fixed connections.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 12 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This provision publishes the text of the Dutch Telecommunications Facilities Act and sets out definitions plus core rules on concessions, licences, service obligations, and prohibitions on using certain fixed connections. Deze bepaling regelt vergunningen voor telecommunicatie-infrastructuur en legt de houder verplichtingen op, terwijl de minister voorwaarden, nummering en uitzonderingen kan bepalen. The Minister may give instructions, set conditions, or prohibit use of devices when electromagnetic compatibility problems are expected, and the provision also imposes cable-allowance duties, access rights, fees, and sanctions.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320
Showing 3 of 3
- document.segment-1 Verify source ↗
Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320 — segment 1
AI-assisted research summary: This provision publishes the text of the Dutch Telecommunications Facilities Act and sets out definitions plus core rules on concessions, licences, service obligations, and prohibitions on using certain fixed connections.
Staatsblad Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320 Gelet op artikel VI van de wet van 28 maart 1996, Stb. 320; de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. TEKST VAN DE WET OP DE TELECOMMUNICATIEVOORZIENINGEN, ZOALS DEZE LAATSTELIJK IS GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN 28 MAART 1996, STB. 320 ALGEMENE BEPALINGEN In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; b. telecommunicatie: iedere overdracht, uitzending of ontvangst van signalen door middel van telecommunicatie-infrastructuur; c. telecommunicatienet of telecommunicatie-infrastructuur: de infrastructuur die het transport mogelijk maakt van signalen tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten via kabelverbindingen, microgolfsystemen, optische middelen of andere elektromagnetische middelen; d. kabels: geleidingen bestemd voor telecommunicatie; e. kabelwerken: de bij kabels behorende ondersteuningswerken, beschermingswerken en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen, bestemd om daarin verbinding tot stand te brengen tussen kabels in, op of boven openbare gronden enerzijds en kabels in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde kabels onderling; f. kabelverbindingen: kabels en kabelwerken; g. openbare gronden: 1°. de openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viadukten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; 2°. de wateren met de daartoe behorende bruggen, de plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, welke tot gemene dienst van allen zijn bestemd; 3°. de spoorwegen met de daarbij behorende terreinen; h. geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur: de telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel 3, eerste lid; i. kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur: de infrastructuur die het transport mogelijk maakt van signalen tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten via kabelverbindingen; j. openbaar telecommunicatienet: telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel 3, 3a of 13a, alsmede voor wat betreft de artikelen 29 en 29a, de telecommunicatie-infrastructuur die door Onze Minister voor de toepassing van de desbetreffende artikelen als openbaar telecommunicatienet is aangewezen; k. draadomroepinrichting: een inrichting of onderdeel daarvan, bestemd om met gebruik van kabels en kabelwerken of radioverbindingen tussen vaste punten, programma's te verspreiden naar een of meer bij anderen in gebruik zijnde gronden, woningen dan wel niet tot woning dienende gebouwen of gedeelten van gebouwen; l. programma: een programma als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Mediawet (Stb. 1987, 249); m. vaste verbinding: een mogelijkheid voor het directe transport van signalen tussen twee netwerkaansluitpunten, waarvan de totstandkoming niet door de gebruiker via een netwerkaansluitpunt kan worden beïnvloed; n. satellietverbinding: een vaste verbinding die tot stand komt met behulp van een satelliet; o. netwerkaansluitpunt: het geheel van fysieke verbindingen, met hun technische toegangsspecificaties, die deel uitmaken van een telecommunicatienet en nodig zijn om toegang te verkrijgen tot dit net en om efficiënt via dit net te kunnen communiceren; p. randapparatuur: een inrichting die of een samenstel van inrichtingen, dat is bestemd voor rechtstreekse aansluiting op een openbaar telecommunicatienet door middel van een netwerkaansluitpunt; q. Europese Economische Ruimte: gebieden waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en voorts de grondgebieden van de Republiek Finland, met inachtneming van het tweede lid van artikel 126 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden; r. concessie: de concessie, bedoeld in artikel 3, eerste lid; s. vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 13a; t. infrastructuurvergunning: een vergunning, verleend krachtens de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur; u. landelijke infrastructuurvergunning: de infrastructuurvergunning zonder gebiedsbeperking; v. dienstaanbieder: de natuurlijke of rechtspersoon die met toestemming van de houder van een vergunning dan wel van de houder van een machtiging op eigen naam of in naam van de houder van die vergunning onderscheidenlijk van die machtiging mobiele telecommunicatiediensten aanbiedt; w. telecommunicatiediensten: diensten die geheel of gedeeltelijk bestaan in de overdracht en routering van signalen over de telecommunicatie-infrastructuur via telecommunicatieprocédés, met uitzondering van radio-omroep en televisie; x. mobiele telecommunicatiediensten: telecommunicatiediensten met en tussen mobiele gebruikers; ij. openbare telecommunicatiedienst: de bij of krachtens de wet opgedragen telecommunicatiediensten bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 13c, tweede lid, alsmede voor wat betreft artikel 29a, de telecommunicatiedienst die door Onze Minister voor de toepassing van genoemd artikel als openbare telecommunicatiedienst is aangewezen; z. spraaktelefoondienst: de commerciële exploitatie ten behoeve van het publiek van direct transport en onmiddellijke schakeling van spraak van en naar netwerkaansluitpunten van een openbaar geschakeld telecommunicatienet, waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten apparatuur gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluitpunt te communiceren; aa. pakket- en circuitgeschakelde datadienst: de commerciële exploitatie ten behoeve van het publiek van direct datatransport van en naar netwerkaansluitpunten van een openbaar telecommunicatienet, waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten apparatuur gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluitpunt te communiceren; bb. telexdienst: de commerciële exploitatie ten behoeve van het publiek van direct transport van telexberichten overeenkomstig de te Melbourne op 25 november 1988 tot stand gekomen aanbeveling I 240 van de Internationale Raadgevende Commissie inzake telegrafie en telefonie (CCITT), zoals deze thans luidt of nadien is gewijzigd, van en naar netwerkaansluitpunten van een openbaar telecommunicatienet, waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten apparatuur gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluitpunt te communiceren; cc. nummer: cijfers, letters of andere symbolen, al dan niet in combinatie, die dienen voor toegang tot of identificatie van gebruikers, netwerkexploitanten, diensten, netwerkaansluitpunten of andere netwerkelementen; dd. nummerplan: een plan houdende de bestemming van nummers, daaronder mede begrepen gegevens over lengte en samenstelling van de in het plan opgenomen nummers; ee. apparaten: alle elektrische en elektronische apparaten alsmede uitrustingen en installaties, die elektrische of elektronische componenten bevatten; ff. elektromagnetische storing: het elektromagnetisch verschijnsel dat problemen in de werking van een apparaat kan veroorzaken; gg. elektromagnetische compatibiliteit: de eigenschap van apparaten, om op bevredigende wijze in hun elektromagnetische omgeving te kunnen functioneren zonder zelf elektromagnetische storingen te veroorzaken die ontoelaatbaar zijn voor alles wat zich in die omgeving bevindt; hh. in de handel brengen: voor de eerste maal afleveren na vervaardiging in de Europese Economische Ruimte of na invoer in de Europese Economische Ruimte uit een land daarbuiten; ii. verhandelen: verkopen, verhuren, op andere wijze ter beschikking stellen, voorhanden of in voorraad hebben, ten verkoop of te huur aanbieden, of afleveren, niet zijnde in de handel brengen. Onder in de handel brengen van een apparaat wordt mede verstaan: in gebruik nemen van een apparaat door degene die het in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of heeft ingevoerd uit een land daarbuiten. Onze Minister kan tot een aanwijzing als openbaar telecommunicatienet of als openbare telecommunicatiedienst slechts besluiten a. in het belang van het publiek als gebruiker van telecommunicatie-infrastructuur, telecommunicatie-inrichtingen, telecommunicatiediensten of apparaten; b. in het belang van andere aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur, telecommunicatie-inrichtingen, telecommunicatiediensten of apparaten; c. indien de uitvoering van een bindend besluit van een instelling van de Europese Unie of de nakoming van Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert. Onze Minister kan tot een aanwijzing als openbaar telecommunicatienet of als openbare telecommunicatiedienst, met betrekking tot artikel 29a, slechts besluiten indien de aan te wijzen telecommunicatienetten of telecommunicatiediensten een dominante marktpositie hebben. Van de beschikkingen, houdende een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan in de Staatscourant onder vermelding van het tijdstip waarop de beschikkingen van kracht worden. De bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze wet gelden mede op en met betrekking tot installaties ter zee in de zin van de Wet installaties Noordzee (Stb. 1964, 447). Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van het gebruik van elektromagnetische golven ten dienste van een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen als bedoeld in de Mijnwet continentaal plat (Stb. 1965, 428). OPENBARE TELECOMMUNICATIENETTEN EN TELECOMMUNICATIEDIENSTEN VOOR DERDEN De geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur Ter bevordering van een doelmatige verzorging van telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang wordt aan een bij wet aan te wijzen rechtspersoon, behoudens het bepaalde in artikel 3a, met uitsluiting van anderen, concessie verleend voor de aanleg, de instandhouding en de exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur, die a. bestemd is voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt, en b. dient ter uitvoering van de bij of krachtens artikel 4, eerste tot en met vierde lid, aan de houder van de concessie opgedragen diensten. Onder de concessie, bedoeld in de vorige volzin, zijn mede begrepen de aansluitingen op telecommunicatie-inrichtingen buitenslands. Onze Minister kent aan de houder van de concessie de radio-frequenties toe welke nodig zijn voor de uitvoering van de concessie, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. Onze Minister kent aan de houder van de concessie de nummers toe of kan voor hem de nummers reserveren welke nodig zijn voor de uitvoering van de opgedragen diensten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. De houder van de concessie draagt er zorg voor dat de capaciteit, de kwaliteit en de eigenschappen van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur voldoen voor een doelmatige verzorging van telecommunicatie. De concessie is voor wat betreft de telecommunicatie-infrastructuur waarop hoofdstuk IIA van toepassing is, beperkt tot de aanleg en instandhouding van kabelverbindingen. Het is anders dan krachtens de concessie slechts toegestaan telecommunicatie-inrichtingen als bedoeld in artikel 21, 23 of 24 aan te leggen, in stand te houden, aanwezig te hebben, te gebruiken of te doen gebruiken en te exploiteren of te doen exploiteren met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk III. Kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur met vergunning Ter bevordering van een doelmatige verzorging van telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang zijn degenen die daartoe krachtens de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur een infrastructuurvergunning hebben verkregen gerechtigd tot de aanleg, de instandhouding en de exploitatie van kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur met of zonder gebiedsbeperking die a. bestemd is voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt, en b. dient ter uitvoering van de bij artikel 4b opgedragen diensten of binnen de in artikel 4b bedoelde periode dient voor het tegen vergoeding ter beschikking stellen van het gebruik van vaste verbindingen. Onder de infrastructuurvergunning zijn mede begrepen de aansluitingen op telecommunicatie-inrichtingen buitenslands. De houder van een infrastructuurvergunning zonder gebiedsbeperking is, indien aan hem radiofrequenties zijn toegekend, tevens gerechtigd tot de aanleg, de instandhouding en de exploitatie van radio-elektrische zendinrichtingen die bestemd zijn voor de doeleinden bedoeld, in het eerste lid, onder a en b. Opdrachten aan de houder van de concessie De houder van de concessie is in het belang van het algemeen maatschappelijk en economisch verkeer verplicht bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven diensten, welke betrekking hebben op het directe transport van gegevens van en naar netwerkaansluitpunten, te verzorgen en een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan ter beschikking te stellen. Bij die algemene maatregel van bestuur kan tevens aan de houder van de concessie worden opgedragen een bij die maatregel te omschrijven dienst met betrekking tot de telegrafie te verzorgen en een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan ter beschikking te stellen. De houder van de concessie is verplicht om een ieder tegen vergoeding het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen. Bij de algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid worden geen diensten aangewezen die betrekking hebben op het transport van gegevens met en tussen mobiele gebruikers te land. De houder van de concessie is verplicht aan de houder van een vergunning behalve de in het eerste en tweede lid bedoelde diensten, voorzieningen ter beschikking te stellen ten behoeve van of direct verband houdende met koppelingen van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning aan de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie. De houder van de concessie stelt de voorwaarden vast waarop hij bereid is de in die voorwaarden genoemde voorzieningen in ieder geval aan een ieder ter beschikking te stellen. Hij maakt deze voorwaarden overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels bekend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, tweede volzin, stelt de houder van de concessie op een desbetreffende aanvraag binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn voorzieningen als bedoeld in het vierde lid, eerste volzin, ter beschikking op door de houder van de concessie met betrekking tot die aanvraag te bepalen voorwaarden betreffende tarieven en technische specificaties. De houder van de concessie gaat bij zijn aanbod uit van de door de houder van de vergunning gevraagde voorzieningen, tenzij deze technisch niet mogelijk zijn, de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie in gevaar brengen, of redelijkerwijs niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige verzorging van de diensten, te verlenen door middel van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing indien door de houder van een vergunning vaste verbindingen worden gevraagd ten behoeve van koppelingen als bedoeld in het vierde lid. In geval van toepassing van artikel 13x, derde lid, onder b, kan Onze Minister aan de houder van de concessie de verplichting opleggen zijn medewerking te verlenen aan het in die bepaling bedoelde nummerbehoud. Artikel 4, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op het totstandbrengen van koppelingen tussen de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie en de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een infrastructuurvergunning. Opdrachten aan de houder van een infrastructuurvergunning De houder van een infrastructuurvergunning is in het belang van het algemeen maatschappelijk en economisch verkeer verplicht binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn na het afgeven van een infrastructuurvergunning een ieder in het gebied waarop de infrastructuurvergunning betrekking heeft tegen vergoeding het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen. De houder van een infrastructuurvergunning is verplicht binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn aan de houder van de concessie onderscheidenlijk een andere houder van een infrastructuurvergunning behalve de in het eerste lid bedoelde dienst, voorzieningen ter beschikking te stellen ten behoeve van of direct verband houdende met koppelingen van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur onderscheidenlijk de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een infrastructuurvergunning aan de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de infrastructuurvergunning. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen. De houder van een infrastructuurvergunning stelt de in het tweede lid bedoelde voorzieningen ter beschikking op door hem daarvoor te bepalen voorwaarden betreffende tarieven en technische specificaties binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn. De houder van de infrastructuurvergunning gaat bij zijn aanbod uit van de door de houder van de concessie onderscheidenlijk een andere houder van een infrastructuurvergunning gevraagde voorzieningen, tenzij deze technisch niet mogelijk zijn of de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de infrastructuurvergunning in gevaar brengen, of redelijkerwijs niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige verzorging van de diensten te verlenen door middel van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie onderscheidenlijk van een andere houder van een infrastructuurvergunning. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien door de houder van de concessie onderscheidenlijk een andere houder van een infrastructuurvergunning vaste verbindingen worden gevraagd ten behoeve van koppelingen als bedoeld in het tweede lid. De duur van krachtens het eerste en tweede lid bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijnen is er op gericht de ongelijkwaardigheid in de mededingingspositie tussen de houder van de infrastructuurvergunning en de houder van de concessie te verminderen. Overige bepalingen in verband met de opdrachten, bedoeld in § 2 en § 2a Indien de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van de concessie dan wel houders van een infrastructuurvergunning onderling geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder de houder van de concessie met toepassing van artikel 4a dan wel de houder van een infrastructuurvergunning met toepassing van artikel 4b, voorzieningen of vaste verbindingen ter beschikking wil stellen ten behoeve van de koppeling tussen de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een infrastructuurvergunning en de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie dan wel ten behoeve van de koppeling tussen de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van infrastructuurvergunninghouders onderling, of weigert daartoe een aanbod te doen, kan de houder van een infrastructuurvergunning dan wel de houder van de concessie Onze Minister verzoeken hierover een oordeel te geven. De houder van de concessie en de houder van een infrastructuurvergunning zijn verplicht aan Onze Minister binnen twee weken alle benodigde gegevens te verstrekken die nodig zijn om een oordeel als bedoeld in het eerste lid te geven. Onze Minister geeft binnen acht weken na het in het eerste lid bedoelde verzoek, een oordeel. Indien het oordeel inhoudt dat de door de houder van de concessie dan wel de door de houder van een infrastructuurvergunning aangeboden voorwaarden onredelijk zijn, of dat de houder van de concessie dan wel de houder van een infrastructuurvergunning niet mocht weigeren een aanbod te doen, kan Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 43 geven. De houder van de concessie dan wel de houder van een infrastructuurvergunning is verplicht deze aanwijzing op te volgen. De termijn, bedoeld in het derde lid, kan door Onze Minister met ten hoogste 12 weken worden verlengd. Degene die een verzoek heeft gedaan alsmede de andere betrokkene, bedoeld in het eerste lid, worden van een verlenging uiterlijk een week voor afloop van de termijn in kennis gesteld. Het is anderen dan de houder van de concessie niet toegestaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid bestemd voor de spraaktelefoondienst op openbare grond te plaatsen en te exploiteren. Van de met gebruikmaking van de krachtens artikel 4, eerste en vierde lid, aan de houder van de concessie opgedragen diensten of van vaste verbindingen getransporteerde gegevens mag slechts ten behoeve van een goede uitvoering van de dienst worden kennis genomen door het daartoe door de houder van de concessie gemachtigde personeel belast met de uitvoering van de krachtens artikel 4, eerste en vierde lid, aan hem opgedragen diensten en van de zorg voor vaste verbindingen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een infrastructuurvergunning. Gebruiksbepalingen vaste verbindingen Het is degene die de beschikking heeft over een vaste verbinding tot 1 juli 1997 verboden de vaste verbinding te gebruiken of te doen gebruiken voor het verzorgen van de spraaktelefoondienst of de telexdienst. 1a. Het is degene die de beschikking heeft over een vaste verbinding verboden de vaste verbinding te gebruiken of te doen gebruiken voor het verspreiden van een programma tenzij het gebruik ervan plaatsvindt in het kader van een machtiging, verleend krachtens artikel 21, of in het kader van een landelijke infrastructuurvergunning. Het eerste lid en lid 1a zijn van overeenkomstige toepassing op de houder van een infrastructuurvergunning die zijn telecommunicatie-infrastructuur gebruikt of doet gebruiken. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien het daar omschreven gebruik geschiedt in het kader van hoofdstuk IIA of in het kader van een machtiging als bedoeld in artikel 17 die aan de machtiginghouder de bevoegdheid verleent voor derden openbare mobiele telecommunicatiediensten te verzorgen. Onder spraaktelefoondienst onderscheidenlijk telexdienst wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een met de omschrijving van die onderscheidene diensten in artikel 1, onder z, onderscheidenlijk onder bb, overeenkomende spraaktelefoondienst of telexdienst, die van en naar netwerkaansluitpunten van een niet openbaar telecommunicatienet wordt verzorgd. Onze Minister kan aan degene die de beschikking heeft over een vaste verbinding nummers toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten aan derden over zijn vaste verbinding door hemzelf of door derden, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het verzorgen van telecommunicatiediensten voor derden waarbij vaste verbindingen worden gebruikt, regels worden gesteld in het belang van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie, de veiligheid van de Staat of de handhaving van de rechtsorde. Daarbij kan worden onderscheiden naar categorieën van telecommunicatiediensten. Indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid verband houdt met de veiligheid van de Staat of de handhaving van de rechtsorde wordt de voordracht ervan gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kan behoren het vereiste van registratie van degene die telecommunicatiediensten voor derden verzorgt. Het in het eerste lid bepaalde is mede van toepassing op het verzorgen van diensten, niet zijnde de krachtens artikel 4, eerste lid, opgedragen diensten, door de houder van de concessie met gebruikmaking van zijn infrastructuur en het verzorgen van diensten door de houder van een infrastructuurvergunning met gebruikmaking van zijn infrastructuur. Onze Minister kan desgevraagd een bewijs afgeven dat in overeenstemming met de Nederlandse regelgeving telecommunicatiediensten voor derden worden verzorgd. Het is verboden vaste verbindingen te gebruiken of te doen gebruiken voor het voor derden verrichten van telecommunicatiediensten zonder te voldoen aan de krachtens artikel 7a, eerste lid, gestelde regels. Algemene richtlijnen voor de houder van de concessie Onze Minister geeft aan de houder van de concessie algemene richtlijnen welke deze bij de uitvoering van artikel 3, derde lid, en artikel 4, gehouden is op te volgen. Deze richtlijnen hebben slechts betrekking op: a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de technische aftapbaarheid, van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur; b. het instandhouden van een goede dienstverlening; c. de wijze waarop de houder van de concessie in een daartoe door hem in te stellen afzonderlijk overlegorgaan onder leiding van een door de Minister aan te wijzen onafhankelijke voorzitter met representatieve organisaties van direct belanghebbenden overleg dient te voeren over aangelegenheden van algemene aard en landelijke strekking die de uitvoering van de in de onderdelen a en b bedoelde taken betreffen; d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen van gebruikers met betrekking tot de toepassing van door de houder van de concessie vast te stellen algemene voorwaarden; e. het opstellen van een financiële verantwoording van activiteiten bedoeld in het eerste lid, welke gescheiden is van die voor andere activiteiten; f. het verstrekken van informatie aan Onze Minister 1°. ten dienste van het toezicht op de uitvoering van artikel 3, derde lid, en artikel 4, en op de uitvoering van het overige bij of krachtens deze wet bepaalde; 2°. die Onze Minister nodig heeft in verband met de naleving van een bindend besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen; 3°. die nodig is in verband met het aan Onze Minister gevraagde oordeel, bedoeld in artikel 40b. De richtlijnen bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b, bevatten uitgangspunten en maatstaven voor: a. de wijze en mate van dienstverlening; b. de tariefstructuur en de aanpassing van de tarieven; c. de beveiliging van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur; d. de geheimhouding met betrekking tot de in artikel 4, eerste en vierde lid, bedoelde diensten en de vaste verbindingen; e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de in artikel 4, eerste en vierde lid, bedoelde diensten en de vaste verbindingen; f. het verrichten van niet-rendabele deelactiviteiten alsmede van overheidswege daarvoor te geven vergoedingen. De richtlijnen kunnen, ter uitvoering van een bindend besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen, ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, bepalen dat de houder van de concessie in bepaalde gevallen voorafgaande toestemming van Onze Minister behoeft. De richtlijnen kunnen ten aanzien van de tarieven voor het aan de houder van een infrastructuurvergunning onderscheidenlijk de houder van een vergunning ter beschikking stellen van diensten als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, afwijkende bepalingen bevatten. De richtlijnen bevatten alleen verplichtingen ten aanzien van het door de houder van de concessie te bereiken resultaat en niet ten aanzien van de wijze van bedrijfsvoering om dit resultaat te bereiken. Een besluit tot vaststelling of met betrekking tot wijziging van de richtlijnen wordt genomen met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie door de houder van de concessie. Een beroep door de houder van de concessie, gedaan krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, op de vertrouwelijkheid van aan Onze Minister verstrekte informatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, is alleen toegestaan, indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk moet worden aangemerkt. In onvoorziene omstandigheden kan de houder van de concessie met machtiging van Onze Minister tijdelijk afwijken van het ingevolge het derde lid, onder b, terzake van de aanpassing van de tarieven bepaalde. De in het eerste lid bedoelde algemene richtlijnen worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Vier jaren na het van kracht worden van de richtlijnen en vervolgens elke vijf jaren nadien dient onze Minister de werking van die richtlijnen te hebben geëvalueerd. Bepalingen houdende algemene verplichtingen voor de houder van een infrastructuurvergunning Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot verplichtingen van de houder van een infrastructuurvergunning. Deze regels hebben slechts betrekking op: a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de technische aftapbaarheid, van de vergunde telecommunicatie-infrastructuur; b. de wijze en mate van dienstverlening; c. het opstellen van een financiële verantwoording van activiteiten, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, welke gescheiden is van die voor andere activiteiten; d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen van gebruikers met betrekking tot de toepassing van door de houder van een vergunning vast te stellen algemene voorwaarden; e. het verstrekken van informatie aan Onze Minister ten dienste van het toezicht op de uitvoering van de infrastructuurvergunning en de daaraan verbonden voorschriften en op de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur en deze wet. De regels, bedoeld in het eerste lid, onder b, betreffen in elk geval: a. de tariefstructuur en de aanpassing van de tarieven; b. de beveiliging van de telecommunicatie-infrastructuur; c. de geheimhouding met betrekking tot de in artikel 4b, tweede lid, bedoelde dienst en de vaste verbindingen; d. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de in artikel 4b, tweede lid, bedoelde dienst en de vaste verbindingen. De inwerkingtreding van de krachtens het eerste lid aan de houder van een infrastructuurvergunning te stellen regels kan voor de onderscheidene regels of onderdelen daarvan verschillend zijn; De regels kunnen ten aanzien van de tarieven voor het aan de houder van de concessie, de houder van een vergunning onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning ter beschikking stellen van vaste verbindingen als bedoeld in artikel 4b, eerste lid, afwijkende bepalingen bevatten. De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels bevatten alleen verplichtingen ten aanzien van het door de houder van een infrastructuurvergunning te bereiken resultaat en niet ten aanzien van de wijze van bedrijfsvoering om dit resultaat te bereiken. De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels worden gegeven met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie door de houder van een infrastructuurvergunning. Een beroep door de houder van een infrastructuurvergunning, gedaan krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, op de vertrouwelijkheid van aan Onze Minister verstrekte informatie als bedoeld in het eerste lid, onder e, is alleen toegestaan, indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk moet worden aangemerkt. In onvoorziene omstandigheden kan de houder van een infrastructuurvergunning met machtiging van Onze Minister tijdelijk afwijken van het ingevolge het tweede lid, onder a, ter zake van de aanpassing van de tarieven bepaalde. Overige bepalingen De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning is gehouden bij de uitvoering van de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen terzake van de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer de daarop betrekking hebbende verplichtingen na te komen, welke voortvloeien uit het op 6 november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende bijlagen en reglementen (Trb. 1983, 164), zoals het thans luidt of nadien is gewijzigd, en uit andere Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning voorschriften welke strekken tot: a. het waarborgen van een goede toepassing van het eerste lid; b. het verlenen van de nodige medewerking aan Onze Minister en Onze Minister van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding van verdragen en besluiten als bedoeld in het eerste lid en het in verband daarmee te voeren internationale overleg. De houder van de concessie kan toestaan dat de uitoefening van het exclusieve recht krachtens de concessie tot de aanleg, de instandhouding of de exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur en van de terzake van de uitoefening op hem ingevolge deze wet rustende verplichtingen geheel of gedeeltelijk geschiedt door een andere rechtspersoon, indien de desbetreffende rechtspersoon: a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, b. het recht tot de aanleg, de instandhouding of de exploitatie krachtens de concessie feitelijk uitoefent door middel van een vestiging in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a of b, van de Handelsregisterwet, c. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste 51 procent wordt verschaft door de houder van de concessie dan wel door een rechtspersoon die voldoet aan het onder a tot en met d bepaalde, en d. een rechtspersoon is waarin de houder van de concessie dan wel de rechtspersoon, bedoeld onder c, de bevoegdheid heeft de meerderheid van de bestuurders te benoemen, te schorsen en te ontslaan. Onze Minister kan aan de houder van de concessie, op diens verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder c en d gestelde eisen waaraan de in dat lid bedoelde andere rechtspersoon moet voldoen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, blijft de houder van de concessie jegens Onze Minister verantwoordelijk. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, is jegens de houder van de concessie verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op de houder van de concessie rustende verplichtingen. De houder van de concessie geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, daartoe de nodige instructies die deze gehouden is op te volgen. In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, geldt het in de artikelen 3, vijfde lid, 5, 12, 13, 14, zesde lid, 17, eerste lid, 18, 19, derde lid, onder a, 21, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 25, tweede lid, 33, eerste lid, 36, 37 en 38 met betrekking tot de houder van de concessie bepaalde mede ten aanzien van de rechtspersoon die krachtens de toepassing van het eerste of tweede lid een exclusief recht als daar bedoeld uitoefent. De houder van de concessie deelt Onze Minister voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid, schriftelijk mede welke rechtspersoon de in dat lid bedoelde aanleg, instandhouding of exploitatie geheel of gedeeltelijk zal uitoefenen. Onze Minister kan de houder van de concessie te allen tijde verzoeken hem informatie te verstrekken over de wijze waarop de houder van de concessie heeft verzekerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid. In de statutaire omschrijving van het doel van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven welke concessietaken door de desbetreffende rechtspersoon zullen worden vervuld. Onder toestaan als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het verlenen van medewerking aan overgang onder algemene titel. De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning is voor de schade als gevolg van het niet goed functioneren van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur onderscheidenlijk de telecommunicatie-infrastructuur waarvoor een infrastructuurvergunning is verleend en van tekortkomingen bij de uitvoering van de krachtens artikel 4, eerste en vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4b, eerste en tweede lid, aan hem opgedragen diensten en van de zorg voor vaste verbindingen slechts aansprakelijk indien het schade betreft als gevolg van: a. dood of lichamelijk letsel; b. een handelen in strijd met de artikelen 374, 374bis en 375 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1984, 92); c. het niet of onjuist verstrekken, het onzorgvuldig beheren of verwerken van gegevens betreffende gebruikers van de bedoelde diensten en van vaste verbindingen dan wel fouten in administratieve inrichtingen samenhangend met die gegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, zich niet uitstrekt, waarbij de hoogte van de bedragen verschillend kan zijn voor onder meer de aard van de gebeurtenis, de onderscheiden aan de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning krachtens artikel 4, eerste en vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4b, tweede lid, opgedragen diensten en vaste verbindingen. De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning kan zich niet beroepen op een uit het eerste en tweede lid voortvloeiende uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. Ter zake van de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer is de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende bijlagen en reglementen en andere Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties welke betrekking hebben op het internationale telecommunicatieverkeer. VERGUNNINGEN VOOR SPECIFIEKE VORMEN VAN OPENBARE MOBIELE TELECOMMUNICATIE Vergunningen voor specifieke vormen van openbare mobiele telecommunicatie Door Onze Minister wordt op aanvraag vergunning verleend voor de aanleg en instandhouding van telecommunicatie-infrastructuur, nodig voor het voor derden verzorgen van openbare mobiele telecommunicatiediensten door middel van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen technische systemen. De vergunning wordt verleend in het belang van een doelmatige verzorging van de in het eerste lid bedoelde diensten. Een vergunning omvat niet de aanleg en instandhouding van vaste verbindingen, bestaande in kabelverbindingen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt per technisch systeem het aantal vergunningen bepaald dat kan worden verleend. Het in de vorige volzin bedoelde aantal wordt bepaald door de per systeem beschikbare radio-frequenties, tenzij het aantal vergunningen per systeem bij algemene maatregel van bestuur lager wordt gesteld, omdat een doelmatige verzorging van de bij de vergunning opgelegde diensten in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert. De houder van een vergunning is gerechtigd alle mobiele telecommunicatiediensten te verzorgen die mogelijk zijn door middel van de hem toegestane telecommunicatie-infrastructuur in samenhang met het desbetreffende technische systeem. De houder van een vergunning is verplicht de bij de vergunning opgelegde diensten landelijk te verzorgen en aan een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan ter beschikking te stellen. De houders van een vergunning kunnen de diensten, bedoeld in het eerste lid, door middel van gezamenlijke telecommunicatie-infrastructuur aanbieden, mits onder hun eigen naam en met inachtneming van de krachtens artikel 13l, tweede lid, terzake voor hen geldende vergunningsvoorschriften. De houder van een vergunning kan de diensten, bedoeld in het eerste lid, door een derde doen verrichten, met dien verstande dat de diensten die de houder van de vergunning op grond van het tweede lid zijn opgelegd, door de derde slechts onder de naam van de houder van de vergunning mogen worden verricht. Het in de vorige volzin met betrekking tot de derde gestelde is niet van toepassing indien de derde niet is een rechtspersoon, opgericht in overeenstemming met het recht van een der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur, of zijn hoofdvestiging heeft binnen de Gemeenschap, danwel de derde niet kan aantonen dat hij zich op een in rechte afdwingbare wijze heeft verbonden een dergelijke rechtspersoon op te richten. Bij toepassing van het vierde lid blijven de verplichtingen van deze wet op de houder van de vergunning toepasselijk. De houder van de vergunning draagt er zorg voor dat de derde, bedoeld in het vierde lid, de diensten uitvoert in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften. Indien de houder van een vergunning toepassing geeft aan het bepaalde in het derde of vierde lid, doet hij daarvan mededeling aan Onze Minister. Het is de houder van een vergunning verboden de telecommunicatie-infrastructuur waarop de vergunning betrekking heeft, te gebruiken of te doen gebruiken voor andere doeleinden dan de diensten die mogelijk zijn met het desbetreffende technische systeem. Tegelijkertijd met de verlening van een vergunning kent Onze Minister bij beschikking tevens de radiofrequenties toe ten behoeve van het uitvoeren van de vergunning. Indien met toepassing van artikel 13i aan Koninklijke PTT Nederland N.V. een vergunning wordt verleend, wordt onder een toekenning als bedoeld in het eerste lid mede verstaan de beschikking van Onze Minister dat reeds eerder aan Koninklijke PTT Nederland N.V. als concessiehouder toegekende frequenties kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de vergunning. Tijdens de looptijd van een vergunning kan Onze Minister bij beschikking wijzigingen aanbrengen in de toegekende radiofrequenties. Het is anderen dan de houder van een vergunning verboden om telecommunicatie-infrastructuur als bedoeld in artikel 13a, aan te leggen of in stand te houden. De houder van een vergunning dan wel de derde als bedoeld in artikel 13c, vierde lid, dient de vergunning te exploiteren door middel van een vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a of b, van de Handelsregisterwet. De houder van een vergunning dan wel de derde, dient zijn boekhouding in Nederland te voeren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de overige verplichtingen van de houder van een vergunning. Deze betreffen: a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de technische aftapbaarheid, van de telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel 13a, eerste lid, b. het gebruik van de radio-frequenties, c. het instandhouden van een kwalitatief hoogwaardige en innovatieve dienstverlening, aangepast aan de stand der ontwikkelingen, d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen van gebruikers met betrekking tot de toepassing van door de houder van een vergunning vast te stellen algemene voorwaarden, e. de verplichting zich te binden aan door Onze Minister aan te wijzen, in internationaal verband gemaakte, afspraken met betrekking tot de telecommunicatie-infrastructuur voor het desbetreffende technische systeem en de daarmee te verlenen diensten, f. het verstrekken van informatie aan Onze Minister ten dienste van het toezicht op de uitvoering van de vergunning en daaraan verbonden voorschriften en op de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet. De regels, bedoeld in het eerste lid, onder c, betreffen: a. de wijze en mate van dienstverlening, waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen dienstaanbieders en anderen, b. de kenbaarheid van tarieven, c. de beveiliging van de telecommunicatie-infrastructuur, d. de geheimhouding met betrekking tot diensten, en e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot diensten. Verlening van vergunningen Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud van aanvragen om een vergunning en de daarbij over te leggen gegevens. Van de aanvraag maakt in elk geval deel uit een technisch en commercieel plan voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning. De procedure van behandeling is ingericht op een per technisch systeem gelijktijdige verlening van het beschikbare aantal vergunningen. Een vergunning wordt geweigerd indien: a. de aanvrager niet is een rechtspersoon, opgericht in overeenstemming met het recht van een der Lid-Staten van de Europese Unie of van een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging heeft binnen de Europese Economische Ruimte, danwel de aanvrager niet kan aantonen dat hij zich op een in rechte afdwingbare wijze heeft verbonden een dergelijke rechtspersoon op te richten, b. naar verwachting niet zal of kan worden voldaan aan het bij of krachtens deze wet met betrekking tot vergunningen bepaalde, c. niet wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur aan de aanvragers te stellen eisen met betrekking tot de liquiditeit, solvabiliteit, technische middelen, kennis en ervaring, benodigd om de continuteit van aanleg, instandhouding en exploitatie van de desbetreffende telecommunicatie-infrastructuur te waarborgen, d. niet wordt doorstaan de vergelijkende toets tussen de aanvragers en tussen de overeenkomstig het eerste lid bij de aanvragen ingediende plannen op kwaliteitsaspecten, welke in elk geval betreffen: de onder c genoemde aspecten, de kwaliteit van de te bieden telecommunicatie-infrastructuur, het voorgenomen gebruik van de beschikbare radio-frequenties, de diensten die de aanvrager zal aanbieden, en de tarieven die de aanvrager zal toepassen voor de door hem te leveren diensten. In afwijking van het bepaalde in artikel 13h verleent Onze Minister aan Koninklijke PTT Nederland N.V. op aanvraag een vergunning voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen technische systemen. Van de aanvraag maakt in elk geval deel uit een technisch en commercieel plan voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid en de procedure betreffende de indiening en behandeling daarvan. Vooruitlopend op het verlenen van een vergunning krachtens het eerste lid wordt aan Koninklijke PTT Nederland N.V. - document.segment-2 Verify source ↗
Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320 — segment 2
AI-assisted research summary: Deze bepaling regelt vergunningen voor telecommunicatie-infrastructuur en legt de houder verplichtingen op, terwijl de minister voorwaarden, nummering en uitzonderingen kan bepalen.
een tijdelijke vergunning verleend, die van kracht wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Voor de toepassing van de artikelen 13a, 13c, 13d, 13e, 13f, 13g, 13j, 13l, 13m, 13n, 13o, onder a, c en e, 13p, behoudens het bepaalde in het tweede lid, onder d, 13q tot en met 13w, 41, eerste lid, onder a, 48, vijfde lid, 48a, 54, 57, 59, 60, eerste lid, 62, derde lid, en 64, eerste lid, wordt de tijdelijke vergunning bedoeld in de vorige volzin, aangemerkt als een vergunning krachtens artikel 13a. In de vergunning wordt aangegeven voor welke telecommunicatie-infrastructuur en voor welke opgelegde diensten de vergunning strekt. Vergunningen worden verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen duur. Deze duur kan per technisch systeem verschillend zijn. Uiterlijk twee jaar voor de afloop van de geldigheidsduur van een vergunning geeft Onze Minister aan de houder van de vergunning kennis of de vergunning kan worden verlengd en – indien dit het geval is – voor welke periode. De in de eerste volzin bedoelde besluiten van Onze Minister zijn gelijk ten aanzien van alle vergunningen, die voor hetzelfde technische systeem zijn verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de procedure bepaald volgens welke verlenging plaatsvindt. Onze Minister kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd. De voorschriften hebben in elk geval betrekking op: a. de dekkingsgraad van de eigen telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de desbetreffende vergunning, b. de termijn waarop de houder van de desbetreffende vergunning de telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld onder a, dient te hebben aangelegd, c. de diensten die moeten worden aangeboden, d. de termijn waarop de houder van de desbetreffende vergunning de onder c bedoelde diensten landelijk dekkend dient aan te bieden, en e. de tarieven waartegen de houder van de desbetreffende vergunning de onder c bedoelde diensten ten hoogste mag aanbieden, met dien verstande dat dit voorschrift alleen betrekking heeft op een periode van zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip waarop de houder van de vergunning als zodanig aanvangt met het verzorgen van diensten. Onze Minister kan aan een beschikking houdende toekenning van radio-frequenties voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd. Van de verlening van een vergunning, van de beschikking houdende toekenning van radio-frequenties en van de verlenging van een vergunning wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan in de Staatscourant onder vermelding van het tijdstip waarop de vergunning en de beschikking van kracht worden. De houder van een vergunning is verplicht de vergunning, zodra deze rechtskracht heeft verkregen, in al haar onderdelen uit te voeren en met deze uitvoering onverwijld te beginnen. Telecommunicatie-infrastructuur De houder van een vergunning is, onverminderd zijn bevoegdheid krachtens artikel 13a, gerechtigd bij de aanleg en instandhouding van zijn telecommunicatie-infrastructuur gebruik te maken van vaste verbindingen die: a. hem door de houder van de concessie met toepassing van artikel 4, tweede lid, ter beschikking zijn gesteld, b. hem door de houder van een infrastructuurvergunning met toepassing van artikel 4b, eerste lid, ter beschikking zijn gesteld, c. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding met toepassing van artikel 4, tweede lid, of artikel 4b, eerste lid, heeft gehuurd van de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning, ter beschikking zijn gesteld, d. hem door een machtiginghouder met toepassing van artikel 22, tweede lid, onder a, dan wel artikel 23a, ter beschikking zijn gesteld, of e. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding met toepassing van artikel 22, tweede lid, onder a, of artikel 23a heeft gehuurd van een geregistreerde houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting als bedoeld in artikel 22a onderscheidenlijk de geregistreerde houder van een machtiging voor een kabelinrichting als bedoeld in artikel 23a ter beschikking zijn gesteld, of f. door hemzelf met toepassing van artikel 13r zijn aangelegd. Koppelingen telecommunicatie-infrastructuur De houder van een vergunning mag koppelingen tot stand brengen of doen brengen tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie, tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur en de telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een vergunning alsmede tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur en een telecommunicatie-infrastructuur of telecommunicatie-inrichting buiten Nederland. De houder van een vergunning is gerechtigd bij het tot stand brengen van koppelingen als bedoeld in het eerste lid gebruik te maken van vaste verbindingen die: a. hem door de houder van de concessie met toepassing van artikel 4, tweede lid, ter beschikking zijn gesteld, b. hem door de houder van een infrastructuurvergunning met toepassing van artikel 4b, eerste lid, ter beschikking zijn gesteld, c. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding met toepassing van artikel 4, tweede lid, of artikel 4b, eerste lid, heeft gehuurd van de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning, ter beschikking zijn gesteld, d. hem door een machtiginghouder met toepassing van artikel 23a, dan wel artikel 22, tweede lid, onder a, ter beschikking zijn gesteld, e. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding met toepassing van artikel 22, tweede lid, onder a, of artikel 23a heeft gehuurd van een geregistreerde houder van een machtiging voor een kabelinrichting als bedoeld in artikel 23a ter beschikking zijn gesteld, of f. door hemzelf met toepassing van artikel 13r zijn aangelegd. Het is de houder van een vergunning verboden zijn telecommunicatie-infrastructuur te koppelen of te doen koppelen met een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk III. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. Indien de houder van een vergunning en de houder van de concessie geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder de houder van de concessie met toepassing van artikel 4, voorzieningen of vaste verbindingen ter beschikking wil stellen ten behoeve van de koppeling tussen de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie, of weigert daartoe een aanbod te doen, kan de houder van een vergunning Onze Minister verzoeken hierover een oordeel te geven. De houder van de concessie en de houder van een vergunning zijn verplicht aan Onze Minister binnen twee weken alle benodigde gegevens te verstrekken die nodig zijn om een oordeel als bedoeld in het eerste lid te geven. Onze Minister geeft binnen acht weken na het in het eerste lid bedoelde verzoek, een oordeel. Indien het oordeel inhoudt dat de door de houder van de concessie aangeboden voorwaarden onredelijk zijn, of dat de houder van de concessie niet mocht weigeren een aanbod te doen, kan Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 43 geven. De houder van de concessie is verplicht deze aanwijzing op te volgen. De termijn, bedoeld in het derde lid, kan door Onze Minister met ten hoogste 12 weken worden verlengd. Degene die een verzoek heeft gedaan alsmede de andere betrokkene, bedoeld in het eerste lid, worden van een verlenging uiterlijk een week voor afloop van de termijn in kennis gesteld. Indien de houder van de concessie niet bereid of in staat is de door de houder van een vergunning gevraagde kabelverbindingen ten behoeve van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning of ten behoeve van een krachtens artikel 13p toegestane koppeling binnen een redelijke termijn en op redelijke voorwaarden aan de houder van een vergunning ter beschikking te stellen, verleent Onze Minister op aanvraag aan de houder van een vergunning toestemming voor het geheel of gedeeltelijk in, op of boven openbare gronden aanleggen, in stand houden en gebruiken van een aan die kabelverbindingen gelijkwaardige voorziening. Het eerste lid is niet van toepassing indien het een koppeling van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie betreft, indien de houder van de vergunning ter zake een verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 13q, eerste lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de procedure voor de verlening van de toestemming als bedoeld in het eerste lid. De artikelen 13l, eerste lid, en 13m zijn van overeenkomstige toepassing. Diensten De houder van een vergunning is verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken van dienstaanbieders om voorzieningen ter beschikking te stellen ten behoeve van of direct verband houdende met het door hen aan derden aanbieden van mobiele telecommunicatiediensten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen. De houder van een vergunning stelt de in het vorige lid bedoelde voorzieningen ter beschikking op door hem daarvoor te bepalen en bekend te maken objectieve en niet-discriminatoire voorwaarden betreffende tarieven en technische specificaties. De houder van de vergunning gaat bij zijn aanbod uit van de door de dienstaanbieder gevraagde voorzieningen, tenzij deze technisch niet mogelijk zijn, de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning in gevaar brengen of redelijkerwijs niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige verzorging van de diensten van de dienstaanbieder. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen de houder van een vergunning niet gehouden is aan het bepaalde in het eerste lid te voldoen. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de dienstaanbieder. Overige bepalingen De artikelen 6, eerste lid, 10, 11, eerste tot en met derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, en 12 zijn van overeenkomstige toepassing voor de houder van een vergunning. De houder van een vergunning kan zijn vergunning niet aan een ander overdragen, tenzij hij daartoe van Onze Minister toestemming heeft verkregen. De toestemming wordt geweigerd indien de houder van een vergunning zijn vergunning wenst over te dragen aan: a. de houder van de concessie, dan wel aan een dochtermaatschappij daarvan als bedoeld in artikel 24a, eerste en tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, b. een andere houder van een vergunning voor hetzelfde technische systeem, dan wel aan een dochtermaatschappij daarvan als bedoeld in artikel 24a, eerste en tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of c. de Staat der Nederlanden, dan wel aan een rechtspersoon waarvan de Staat der Nederlanden middellijk dan wel onmiddellijk voor meer dan de helft van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is. Onze Minister kan aan de toestemming voorschriften en beperkingen verbinden. Onze Minister kan een vergunning slechts intrekken indien: a. de houder van een vergunning de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt; b. de houder van een vergunning in staat van faillissement is verklaard dan wel hem surséance van betaling is verleend; c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert; d. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de Staat of de rechtsorde; e. de vergunning niet onverwijld wordt uitgevoerd; f. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen. Onze Minister kent aan de houders van een vergunning nummers toe of kan voor hem nummers reserveren, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. Bij de verdeling van deze nummers maakt Onze Minister, behoudens het bepaalde in artikel 13x, geen onderscheid tussen de houders van een vergunning voor hetzelfde technische systeem. Bepalingen in verband met de ongelijke startpositie van houders van een vergunning Onze Minister kan, onverminderd het bepaalde in artikel 13l, aan de vergunning van Koninklijke PTT Nederland N.V. voor een bepaald technisch systeem voorschriften en beperkingen verbinden, die ertoe strekken tussen deze houder van een vergunning en een andere houder van een vergunning voor het desbetreffende technische systeem de ongelijkwaardigheid in de mededingingspositie te verminderen, welke het gevolg is van de mogelijkheden van Koninklijke PTT Nederland N.V. om als houder van de concessie of als houder van een vergunning of van de tijdelijke vergunning, bedoeld in artikel 13i, derde lid, op een eerder tijdstip dan die andere houder van een vergunning tot aanleg en exploitatie van telecommunicatie-infrastructuur voor dat systeem over te gaan. Onze Minister geeft aan het eerste lid uitsluitend toepassing op verzoek van een andere houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid. De voorschriften en beperkingen kunnen, afhankelijk van het verzoek en onverminderd het bepaalde in artikel 13s, inhouden de beide volgende verplichtingen of één daarvan: a. 1°. het er aan medewerken, gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, dat de verzoeker als dienstaanbieder de diensten kan aanbieden, die Koninklijke PTT Nederland N.V. als vergunninghouder krachtens artikel 13j verplicht is over haar telecommunicatie-infrastructuur te verzorgen, met dien verstande dat Koninklijke PTT Nederland N.V. deze diensten alsdan dient te verzorgen niet alleen met gebruikmaking van haar nummers, maar ook, uitsluitend ten behoeve van de verzoeker, met gebruikmaking van de nummers van verzoeker, en 2°. het er aan medewerken, gedurende een door Onze Minister te bepalen periode na het verlopen van de onder 1° bedoelde periode, dat de verzoeker als houder van de vergunning met gebruikmaking van zijn nummers ten dele over de telecommunicatie-infrastructuur van Koninklijke PTT Nederland N.V., de onder 1° bedoelde diensten kan verzorgen en aanbieden, of b. het bieden van de mogelijkheid aan de gebruikers van de diensten die door Koninklijke PTT Nederland N.V. over haar telecommunicatie-infrastructuur met gebruikmaking van haar nummers worden verzorgd, om hun oorspronkelijke abonneenummer te behouden indien zij ervoor kiezen mobiele telecommunicatiediensten over de telecommunicatie-infrastructuur van de verzoeker te laten verzorgen. TELECOMMUNICATIE-INRICHTINGEN Inleidende bepalingen Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk is gerechtigd een telecommunicatie-inrichting aan te leggen, in stand te houden of te gebruiken verboden die inrichting te gebruiken of te doen gebruiken voor het voor derden verzorgen van: a. diensten omschreven krachtens artikel 4, eerste lid, of b. het directe transport van gegevens met uitzondering van: 1°. die mobiele diensten waartoe de inrichting mag worden gebruikt krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 17, eerste lid, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, en 2°. niet mobiele diensten, met uitzondering van de spraaktelefoondienst en de telexdienst, waartoe de inrichting mag worden gebruikt krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 17, eerste lid. Artikel 7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Het verbod op de spraaktelefoondienst en de telexdienst geldt tot 1 juli 1997. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet indien de desbetreffende handelingen worden verricht in het kader van een toegevoegde waardedienst. Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk gerechtigd is een telecommunicatie-inrichting, niet zijnde een inrichting voor satellietverbindingen, aan te leggen, in stand te houden of te gebruiken verboden die inrichting geheel of ten dele aan een derde ter beschikking te stellen. Met betrekking tot het gebruik van een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in paragraaf 4 van dit hoofdstuk is het bepaalde in de artikelen 7, 7a en 7b van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan ten aanzien van een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in artikel 17, waarop artikel 18 niet van toepassing is, van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen voor telecommunicatie tussen gebruikers van een bepaalde bij die ontheffing aan te geven categorie, indien de houder van de concessie niet bereid is of niet in staat is binnen redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening ter beschikking te stellen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in verband met het doel waarvoor de ontheffing wordt verleend. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op de bij of krachtens de Mediawet toegestane verspreiding van programma's door middel van de in het vijfde lid bedoelde inrichtingen. Het bepaalde in de artikelen 7a en 7b is van overeenkomstige toepassing op het voor derden verzorgen van telecommunicatiediensten over satellietverbindingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de totstandkoming van besluiten tot verlening, wijziging of intrekking van een machtiging voor een telecommunicatie-inrichting, als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, 19, derde lid, onder a, 21, eerste en derde lid, 22, tweede lid, 23, eerste lid, en van een ontheffing als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, en 25, tweede lid. Deze regels kunnen slechts betrekking hebben op: a. de wijze waarop een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking van een machtiging of een ontheffing wordt ingediend en behandeld, en de wijze waarop de ambtshalve wijziging of intrekking van een machtiging of een ontheffing wordt voorbereid; b. de gegevens die bij een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking van een machtiging of een ontheffing worden verstrekt; c. de termijn waarbinnen op de aanvraag wordt beslist. Radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen Voor de toepassing van deze paragraaf en artikel 26 worden met radio-elektrische zendinrichtingen gelijkgesteld: a. elke samenvoeging van onderdelen, geschikt om daarmede een radio-elektrische zendinrichting dan wel ingevolge het bepaalde onder b daarmee gelijkgestelde inrichting te vormen; b. de bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven elektrische of elektronische inrichtingen die geschikt zijn om door gebruik te zamen met een radio-elektrische zendinrichting een radio-elektrische zendinrichting te vormen met andere technische eigenschappen. Het is anders dan krachtens de concessie, krachtens een landelijke infrastructuurvergunning of krachtens een vergunning verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken, tenzij met machtiging van Onze Minister. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangewezen: a. radio-elektrische zendinrichtingen waarvoor geen machtiging als bedoeld in het eerste lid is vereist; b. overheidsinstanties en categorieën van natuurlijke of rechtspersonen die in daarbij te omschrijven gevallen zijn vrijgesteld van het vereiste van een machtiging als bedoeld in het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald ten aanzien van welke radio-elektrische zendinrichtingen de aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik zonder de daartoe vereiste machtiging, als misdrijf wordt strafbaar gesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot: a. de in het eerste lid bedoelde machtigingen; b. de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektrische zendinrichtingen, ongeacht of daarvoor een machtiging is vereist. De in het vierde lid bedoelde regels strekken ter waarborging van een doelmatig gebruik van de ether. Zij kunnen mede strekken ten dienste van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang. De in het vierde lid bedoelde regels kunnen slechts betrekking hebben op: a. het verlenen van machtigingen als bedoeld in het eerste lid, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar de aard van de radio-elektrische zendinrichting en het doel waarvoor de machtiging wordt verleend, alsmede de aan die machtigingen te verbinden voorschriften en beperkingen; b. de bevoegdheid tot het bedienen van daarbij te omschrijven categorieën van radio-elektrische zendinrichtingen; c. de aan radio-elektrische zendinrichtingen te stellen technische eisen, de keuring, de toelating en de registratie van deze inrichtingen alsmede het vaststellen en het aanbrengen van een keurmerk op daarbij aan te wijzen radio-elektrische zendinrichtingen; de te stellen regels hebben geen betrekking op onderwerpen die geregeld kunnen worden krachtens hoofdstuk V; d. het voorkomen en opheffen van belemmeringen die radio-elektrische zendinrichtingen teweeg brengen in daarbij te omschrijven inrichtingen en de behandeling van klachten over ondervonden belemmeringen; e. het maken van handelsreclame voor radio-elektrische zendinrichtingen, waarvan het gebruik bij of krachtens de wet is verboden; f. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van radio-elektrische zendinrichtingen; g. hetgeen nodig is ter uitvoering van Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Een machtiging wordt geweigerd indien: a. verlening daarvan in strijd zou zijn met de krachtens het vierde lid of artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde regels; b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert; c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert; d. deze is gevraagd voor het verspreiden van programma's en de verlening in strijd zou zijn met de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 (Stb. 403) of daarvoor geen zendtijd is verkregen of geen toestemming is verleend krachtens de Mediawet. Het zevende lid, onder c, is niet van toepassing op een machtigingsaanvraag die tot doel heeft het gebruik van de in de aanvraag omschreven radio-elektrische zendinrichtingen ten behoeve van het voor derden verzorgen van het transport van gegevens met en tussen mobiele gebruikers. Een machtiging kan voorts slechts worden geweigerd indien: a. een eerder verleende machtiging als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel van de aan de machtiging verbonden voorschriften of beperkingen; b. de aanvrager niet heeft voldaan aan nog op hem rustende verplichtingen welke voortvloeien uit een eerder aan hem verleende machtiging; c. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde regels. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien: a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt; b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert; c. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de machtiging ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de Staat of de rechtsorde; d. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn vervallen. Onze Minister kan aan de houder van een machtiging nummers toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten over zijn radio-elektrische zendinrichtingen door hemzelf of door derden, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. Tot 1 januari 1997 wordt in afwijking van artikel 17, zevende lid, onder c, een machtiging voor het aanleggen, aanwezig hebben of gebruiken van een radio-elektrische zendinrichting, die is bestemd voor het tussen vaste punten tot stand brengen van een of meer verbindingen, niet zijnde satellietverbindingen, welke dienen voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare grond overschrijdt, geweigerd indien: a. de houder van de concessie bereid en in staat is binnen een redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een aan zodanige verbinding gelijkwaardige voorziening ter beschikking te stellen, of b. anderszins een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang zich tegen verlenen van machtiging verzet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van radio-elektrische ontvanginrichtingen, die niet uitsluitend zijn bestemd voor de ontvangst van programma's, regels worden gesteld. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde regels is het bepaalde in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c tot en met f, van overeenkomstige toepassing, zij het dat van overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 17, zesde lid onder c, ten aanzien van het stellen van eisen is uitgezonderd het stellen van eisen welke betrekking hebben op te ontvangen radio-frequenties. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts slechts betrekking hebben op: a. het stellen van het vereiste van een machtiging van Onze Minister voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van daarbij aan te geven soorten ontvanginrichtingen anders dan krachtens de concessie in het belang van de bescherming van de rechten van derden in het radioverkeer dan wel de nakoming van Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, alsmede de aan zodanige machtiging te verbinden voorschriften en beperkingen; b. het gebruik van hetgeen met een ontvanginrichting kan worden opgevangen ter bescherming van de rechten van derden. Een machtiging als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts worden geweigerd indien: a. de bescherming van rechten van derden in het radioverkeer dit vordert; b. de nakoming van Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert; c. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde regels. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op radio-elektrische ontvanginrichtingen welke deel uitmaken van een draadomroepinrichting. Voor radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen aan boord van: a. andere dan Nederlandse schepen, die zich bevinden in de Nederlandse wateren, of b. andere dan Nederlandse luchtvaartuigen die zich bevinden in het Nederlandse luchtruim of op het Nederlandse grondgebied, is geen machtiging vereist krachtens artikel 17 of 19 indien daarvoor een vergunning is afgegeven in overeenstemming met het Internationaal Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende bijlagen en reglementen. Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van de in het eerste lid bedoelde radio-elektrische zendinrichtingen. Draadomroepinrichtingen Het is anders dan krachtens de concessie of krachtens een landelijke infrastructuurvergunning verboden een draadomroepinrichting aan te leggen, in stand te houden, te exploiteren of te doen exploiteren, tenzij met machtiging van Onze Minister. Van het verbod in het eerste lid zijn vrijgesteld de door Onze Minister aan te wijzen categorieën draadomroepinrichtingen van zeer geringe omvang, die voldoen aan door Onze Minister te stellen regels met betrekking tot de techniek van die inrichtingen. Van het voornemen tot zodanige aanwijzing doet Onze Minister mededeling aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Onze Minister kan een machtiging verlenen voor het aanleggen, in stand houden en exploiteren van andere dan in het tweede lid bedoelde draadomroepinrichtingen die de grenzen van een gemeente niet overschrijden. Aan een machtiging kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden die slechts betrekking kunnen hebben op: a. het aantal woningen of het gebied in een gemeente, waarvoor de machtiging wordt verleend en waarvoor de aansluitplicht geldt; b. de techniek, structuur en kwaliteit van de inrichting; c. het voorkomen dat de opbrengst van het verspreiden van programma's wordt aangewend voor kruissubsidiëring van andere krachtens deze wet verrichte activiteiten; d. een verplichte signaallevering aan andere draadomroepinrichtingen; e. de toewijzing en het gebruik van radio-frequenties; f. de verplichting om binnen een bepaalde termijn nadat de machtiging rechtskracht heeft gekregen de draadomroepinrichting aan te leggen. Een machtiging kan slechts worden geweigerd: a. indien de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde regels; b. indien niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde regels; c. indien de aanvrager niet over voldoende technische en financiële middelen beschikt om de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting te waarborgen; d. indien voor het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft reeds een machtiging is verleend. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien: a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt; b. de houder van de machtiging niet langer over voldoende technische en financiële middelen beschikt om de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting te waarborgen; c. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn vervallen. De houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting als bedoeld in artikel 21 is gerechtigd deze te exploiteren of te doen exploiteren voor het verspreiden van programma's, daaronder begrepen toetsbeelden, zoals is geregeld in het bepaalde bij of krachtens de Mediawet. De houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting is met inachtneming van het hierna bepaalde tevens bevoegd om: a. aan derden het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen; b. telecommunicatiediensten voor derden over zijn draadomroepinrichting te verzorgen of te doen verzorgen. De artikelen 7, 7a en 7b zijn van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan aan de houder van een machtiging nummers toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten over zijn draadomroepinrichting door hemzelf of door derden, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. Het is de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting slechts toegestaan vaste verbindingen aan derden ter beschikking te stellen indien hij zich daartoe door Onze Minister heeft laten registreren. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot: a. de wijze waarop een aanvraag tot registratie wordt ingediend en behandeld; b. de inhoud van aanvragen tot registratie en de daarbij over te leggen gegevens. Onze Minister houdt een register waarin zijn ingeschreven de houders van een machtiging voor een draadomroepinrichting die ingevolge een registratie vaste verbindingen aan derden ter beschikking mogen stellen. In de maand januari van elk jaar wordt een lijst van de in het register ingeschreven houders van een draadomroepinrichting naar de stand van 31 december van het voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst. Deze plaatsing zal de eerste keer plaatsvinden in de maand januari van het jaar 1997. Onze Minister houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage op een door Onze Minister bekend te maken plaats. Een registratie wordt beëindigd indien: a. aan de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting of met diens instemming aan de exploitant van de draadomroepinrichting een infrastructuurvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2 van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur; b. naar het oordeel van Onze Minister afbreuk wordt gedaan aan de door deze wet beoogde doelmatige verzorging van de telecommunicatie en de daartoe tot stand te brengen mededinging op het terrein waarop de registratie betrekking heeft. Een registratie kan voorts slechts worden beëindigd indien: a. de krachtens artikel 21 verleende machtiging voor een draadomroepinrichting is ingetrokken; b. de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting de krachtens artikel 22b gestelde regels niet nakomt; c. de naleving van een bindend besluit van een instelling van de Europese Unie dit vordert; d. de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting bij de aanvraag tot registratie onjuiste gegevens heeft verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het aan derden aanbieden van vaste verbindingen door de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting alsmede met betrekking tot het gebruiken of doen gebruiken van capaciteit van een draadomroepinrichting voor het voor derden verzorgen of doen verzorgen van telecommunicatiediensten. Deze regels hebben betrekking op: a. het aanbrengen van technische voorzieningen ter waarborging van het goed functioneren van de draadomroepinrichting voor het verspreiden van programma's; b. de technische aftapbaarheid van de draadomroepinrichting; c. de naleving van een bindend besluit van een instelling van de Europese Unie; d. de uitgangspunten en maatstaven voor de wijzen van dienstverlening; e. het opstellen van een financiële verantwoording van activiteiten bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder a, en van het gebruik of doen gebruiken van capaciteit van een draadomroepinrichting voor activiteiten bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder b, gescheiden van andere activiteiten die worden verricht krachtens deze wet; f. in geval de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a, eerste en tweede lid, van Boek 2 Burgerlijk Wetboek is van de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een landelijke infrastructuurvergunning: het opstellen van een gescheiden financiële verantwoording terzake van de exploitatie van de concessie onderscheidenlijk de landelijke infrastructuurvergunning en de activiteiten krachtens artikel 22, tweede lid, onder a; g. het verstrekken van informatie aan Onze Minister ten dienste van het toezicht op de uitvoering van het krachtens de onderdelen d, e en f bepaalde. Het is de houder van een machtiging voor draadomroepinrichting verboden om te handelen in strijd met de artikelen 22a en 22b. Met betrekking tot het gebruik van vaste verbindingen die behoren tot de telecommunicatie-infrastructuur van een draadomroepinrichting, door anderen dan de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting, is het bepaalde in de artikelen 7, 7a en 7b van overeenkomstige toepassing. Telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en kabelwerken Het is, onverminderd het bepaalde in artikel 13o, anders dan krachtens de concessie of krachtens een infrastructuurvergunning verboden een inrichting bestemd voor telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken, die geen draadomroepinrichting is, geheel of gedeeltelijk in, op of boven openbare gronden aan te leggen, in stand te houden en te gebruiken, tenzij met machtiging van Onze Minister. Een machtiging voor zodanige inrichting zal worden geweigerd indien niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde regels. Een machtiging kan voorts worden geweigerd indien de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde regels. Aan een machtiging kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden die slechts betrekking kunnen hebben op: a. de duur van de machtiging; b. de techniek en structuur van de inrichting. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien: a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt; b. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn vervallen. Onze Minister kan aan de houder van een machtiging nummers toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten over zijn telecommunicatie-inrichting door hemzelf of door derden, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. Het is de houder van een machtiging voor een telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en kabelwerken als bedoeld in artikel 23 slechts toegestaan vaste verbindingen aan derden ter beschikking te stellen nadat hij zich daartoe door Onze Minister heeft laten registreren. Met betrekking tot de registratie, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel 22a, tweede tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot het aan derden aanbieden van vaste verbindingen door de houder van een machtiging van een telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en kabelwerken als bedoeld in artikel 23, is het bepaalde in artikel 22b, aanhef en de onderdelen b tot en met g, van overeenkomstige toepassing. Het is de houder van een machtiging voor een telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en kabelwerken als bedoeld in artikel 23, verboden te handelen in strijd met de artikelen 23a en 23b. Andere inrichtingen Regeling inzake de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van andere inrichtingen dan die bedoeld in de paragrafen 2 tot en met 4 van dit hoofdstuk, welke zijn bestemd voor het met gebruikmaking van elektrische energie overdragen van gegevens van welke aard ook, geschiedt bij of krachtens de wet. Overige bepalingen Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk gerechtigd is een daarin bedoelde telecommunicatie-inrichting, aan te leggen, in stand te houden, te gebruiken dan wel te exploiteren of te doen exploiteren, verboden die inrichting te koppelen of te doen koppelen aan een andere zodanige inrichting, anders dan door middel van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur of de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een infrastructuurvergunning. Onze Minister kan ten aanzien van een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in artikel 17 en 19 van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen, indien de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning niet bereid of niet in staat is binnen redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening ter beschikking te stellen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in verband met het doel waarvoor de ontheffing wordt verleend. Het is verboden radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen af te leveren, te verhuren dan wel op andere wijze ter beschikking te stellen aan natuurlijke of rechtspersonen aan wie geen machtiging is verleend welke bij of krachtens deze wet is vereist voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van de betreffende zend- of ontvanginrichtingen. Het is verboden: a. een radio-elektrische zendinrichting te gebruiken om aan boord van een schip of luchtvaartuig buiten elk nationaal gebied programma's uit te zenden; b. een radio-elektrische zendinrichting, bestemd voor een gebruik als onder a bedoeld, te exploiteren; c. een radio-elektrische zendinrichting ter beschikking te stellen of aan te leggen in de wetenschap, dat deze bestemd is voor een gebruik als onder a bedoeld; d. een schip of luchtvaartuig ter beschikking te stellen in de wetenschap, dat dit is bestemd om aan boord daarvan uitzendingen te doen als onder a bedoeld. Het is verboden aan overtreding van één der in het eerste lid bedoelde verboden desbewust mede te werken door daarbij behulpzaam te zijn dan wel daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen. Als handelingen van medewerking worden in elk geval beschouwd: a. het ter beschikking stellen van materiaal ten behoeve van het schip of luchtvaartuig dan wel van de zendinrichting; b. het onderhouden of herstellen van het schip of luchtvaartuig dan wel van de zendinrichting; c. het bevoorraden van het schip of luchtvaartuig; d. het vervoeren van personen of goederen naar of van het schip of luchtvaartuig dan wel het ter beschikking stellen van middelen tot dat vervoer; e. het vervaardigen van programma's of onderdelen daarvan, bestemd om te worden uitgezonden; f. het geven van opdrachten tot het uitzenden van programma's of onderdelen daarvan dan wel het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van zodanige opdrachten. Het in het tweede lid bepaalde lijdt uitzondering, indien de aldaar bedoelde handelingen worden verricht teneinde in geval van nood het schip of luchtvaartuig bij te staan of mensenlevens te beschermen. Onder schip of luchtvaartuig wordt in dit artikel mede begrepen elk ander drijvend dan wel door de lucht gedragen voorwerp. Het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk is niet van toepassing op de daarin bedoelde inrichtingen bestemd voor telecommunicatie welke tot gebruik strekken van door Onze Minister, na overleg met Onze Ministers die het mede aangaat, aan te wijzen overheidsorganen of diensten, die zijn belast met de zorg voor de veiligheid van de Staat, dan wel met de handhaving van de rechtsorde, aan welke aanwijzing voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. RANDAPPARATUUR Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden technische eisen gesteld waaraan randapparatuur dient te voldoen en worden regels gesteld met betrekking tot het testen van randapparatuur op conformiteit met de gestelde technische eisen. Deze eisen en regels worden gesteld met inachtneming van de wezenlijke vereisten voor randapparatuur, bedoeld in voor Nederland bindende besluiten van de Europese Economische Gemeenschap. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts regels gesteld met betrekking tot: a. het erkennen van instellingen die randapparatuur testen ten behoeve van de goedkeuring van die randapparatuur voor aansluiting op een openbaar telecommunicatienet, alsmede met betrekking tot het toezicht op die instellingen; b. het afgeven van de verklaringen van conformiteit voor randapparatuur; c. het goedkeuren van randapparatuur voor aansluiting op een openbaar telecommunicatienet en de wijze waarop kenbaar dient te worden gemaakt dat randapparatuur is goedgekeurd; d. het aanvragen van de goedkeuring van randapparatuur. Op een openbaar telecommunicatienet mag uitsluitend randapparatuur worden aangesloten of aangesloten gehouden, die daarvoor is goedgekeurd. De goedkeuring van randapparatuur mag slechts worden geweigerd: a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verklaring of verklaringen van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens; b. indien de randapparatuur niet voldoet aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen en regels. De behandeling van de aanvraag tot goedkeuring van een randapparatuur die in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte door een door de desbetreffende staat erkende instelling, gevestigd binnen de Europese Economische Ruimte, is getest op conformiteit met voor de bedoelde staten bindende technische eisen voor die randapparatuur dan wel voor een of meer onderdelen of functies van die randapparatuur, kan met inachtneming van de procedures die ter zake van de goedkeuring zijn aangegeven in voor Nederland bindende besluiten van de Europese Economische Gemeenschap worden opgeschort, indien gegronde redenen bestaan voor het vermoeden dat de randapparatuur ten aanzien van die kenmerken niet voldoet aan de wezenlijke vereisten, bedoeld in die besluiten. De goedkeuring van randapparatuur mag slechts worden ingetrokken, indien is gebleken dat deze randapparatuur: a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van de goedkeuring overgelegde verklaring of verklaringen van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens; b. niet voldoen aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen en regels. Indien de randapparatuur is getest op de wijze bedoeld in het vijfde lid, mag intrekking van de goedkeuring slechts plaatsvinden met inachtneming van de procedures die ter zake van de intrekking zijn aangegeven in voor Nederland bindende besluiten van de Europese Economische Gemeenschap. Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 30a is het verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf randapparatuur op of bestemd voor de Nederlandse markt te verkopen, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te stellen, in voorraad te hebben, ten verkoop of te huur aan te bieden dan wel af te leveren indien op de randapparatuur niet op de voorgeschreven wijze kenbaar is dat deze is goedgekeurd. Het beroeps- of bedrijfsmatig aanleggen en onderhouden van randapparatuur is slechts toegestaan met inachtneming van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot de vakbekwaamheid. OPEN NETWERK VOORZIENING Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8, 9 en 13g kan Onze Minister bij ministeriële regeling voor openbare telecommunicatienetten en openbare telecommunicatiediensten regels stellen in het kader van de geharmoniseerde voorwaarden die betrekking hebben op open en efficiënte toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetten en openbare telecommunicatiediensten overeenkomstig richtlijn nr. 90/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PbEG L 192), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld, en de daarmee samenhangende richtlijnen en resoluties. Deze regels kunnen verschillen voor de onderscheiden bij of krachtens artikel 1, onder j of ij, aangewezen telecommunicatienetten of telecommunicatiediensten of voor categorieën daarvan. ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake de vereisten waaraan apparaten moeten voldoen met betrekking tot hun elektromagnetische compatibiliteit. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake: a. het opstellen, ter beschikking houden of de afgifte van documenten en het aanbrengen van aanduidingen met betrekking tot de overeenstemming van apparaten met de in het eerste lid bedoelde vereisten; b. de middelen die Onze Minister kan aanwenden om het in de handel brengen en verhandelen van door hem aangewezen apparaten of categorieën van apparaten te beëindigen of te beperken, indien hem is gebleken dat de betrokken apparaten niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde vereisten. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het voeren van een administratie, het onderwerpen van kwaliteitssystemen aan een goedkeuring, het onderwerpen van apparaten aan een test of typekeuring met betrekking tot hun elektromagnetische compatibiliteit, waaronder de erkenning van de daartoe bevoegde instanties, de testen of typekeuringen en de afgifte van documenten ter zake. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur te stellen eisen met betrekking tot randapparaten kunnen niet betreffen de wezenlijke vereisten als bedoeld in artikel 29, eerste lid. Het is verboden apparaten in de handel te brengen, indien niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 30, eerste lid, tweede lid, onder a, en derde lid, gestelde regels. Het is verboden apparaten te verhandelen ten aanzien waarvan de in artikel 30, tweede lid, onder a, bedoelde documenten respectievelijk aanduidingen ontbreken respectievelijk niet zijn aangebracht. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake: a. - document.segment-3 Verify source ↗
Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320 — segment 3
AI-assisted research summary: The Minister may give instructions, set conditions, or prohibit use of devices when electromagnetic compatibility problems are expected, and the provision also imposes cable-allowance duties, access rights, fees, and sanctions.
de installatie van apparaten ter voorkoming van elektromagnetische storingen in de werking van de telecommunicatie-infrastructuur of in om veiligheidsredenen gebruikte zend- of ontvangstations; b. de behandeling van klachten over elektromagnetische storingen, ondervonden van het gebruik van apparaten. Indien van de ingebruikneming of het gebruik van een apparaat op een bepaalde plaats problemen zijn te verwachten of bestaan in verband met de elektromagnetische compatibiliteit van dat apparaat is Onze Minister bevoegd om overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels a. aan de houder van het apparaat aanwijzingen te geven met betrekking tot de ingebruikneming of het gebruik van dat apparaat; b. aan een machtiging op grond van hoofdstuk III voorschriften te verbinden met betrekking tot de ingebruikneming of het gebruik van dat apparaat; c. de houders van apparaten, behorende tot een bepaalde categorie, of de houders van apparaten in bij de maatregel genoemde gevallen de ingebruikneming of het gebruik van die apparaten te verbieden zonder voorafgaande machtiging van Onze Minister. Het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde is niet van toepassing op het in de handel brengen of het verhandelen van apparaten indien aannemelijk kan worden gemaakt dat dit geschiedt ten einde het apparaat: a. naar een land buiten de Europese Economische Ruimte uit te voeren; b. in overeenstemming te brengen met de krachtens dit hoofdstuk ten aanzien van dat apparaat gestelde regels; c. ten toon te stellen op beurzen of soortgelijke exposities; d. te gebruiken voor experimenten. Bij de in artikel 30, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van apparaten van de toepassing van het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde worden uitgezonderd, indien: a. zij geen elektromagnetische storingen kunnen veroorzaken of hun werking daardoor niet kan worden aangetast, of b. met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit van die apparaten reeds regels zijn gesteld ter uitvoering van een bindend besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen. BEPALINGEN INZAKE DE GEDOOGPLICHT VOOR DE AANLEG, INSTANDHOUDING EN OPRUIMING VAN KABELS EN KABELWERKEN, BEHORENDE TOT DE GECONCESSIONEERDE TELECOMMUNICATIE-INFRASTRUCTUUR Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden kabelwerken met kabels gelijkgesteld. Een ieder is, behoudens het bepaalde in artikel 33 en onverminderd recht op schadevergoeding, verplicht de aanleg en de instandhouding van kabels ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur in en op openbare gronden, benevens de opruiming daarvan, te gedogen. Deze verplichting strekt zich wat betreft interlokale en internationale kabels tevens uit tot alle andere gronden, uitgezonderd afgesloten tuinen en erven die met bewoonde percelen één geheel vormen. Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels wordt geen verandering in de bestemming en zo min mogelijk belemmering in het gebruik van de gronden gebracht. Indien de houder van de concessie het voornemen heeft kabels ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen of op te ruimen, streeft hij naar overeenstemming met degeen op wie een gedoogplicht rust over de plaats en wijze van de uitvoering van het werk. Bij gebreke van overeenstemming geeft de houder van de concessie aan degeen op wie de gedoogplicht rust onverwijld een schriftelijke kennisgeving waarin een omschrijving van de voorgenomen plaats en de wijze van uitvoering van het werk wordt gegeven. Indien degene op wie een gedoogplicht rust, tegen de kennisgeving bedenkingen heeft, kan hij na ontvangst daarvan Onze Minister verzoeken een beschikking te geven. Onze Minister geeft de beschikking binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. Het verzoek schorst de uitvoering van het voornemen. Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing indien ingevolge aanwijzingen gegeven op grond van artikel 57 kabels ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur worden opgeruimd. De in artikel 32 bedoelde schadevergoeding beperkt zich voor eigenaren en beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de kosten der voorzieningen en van de meerdere kosten van onderhoud. Onverminderd het bepaalde bij artikel 32 en onverminderd recht op schadevergoeding, is een ieder verplicht ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur te gedogen dat: a. kabels boven gronden, gebouwen en wateren worden aangelegd en in stand gehouden, mits zonder aanhechting of aanraking; b. in en aan gebouwen, alsmede in en op gronden welke daarmee één geheel vormen, kabels en netwerkaansluitpunten worden aangelegd en in stand gehouden ten behoeve van aansluitingen in die gebouwen en in naburige gebouwen; c. de onder a en b bedoelde kabels en netwerkaansluitpunten worden opgeruimd. Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels wordt geen verandering teweeggebracht in de bestemming van hetgeen waarin, waaraan, waarop of waarboven de kabels zijn of worden aangelegd alsmede zo min mogelijk verandering in de uiterlijke gedaante en zo min mogelijk belemmering in het gebruik ervan. Op de aanleg van kabels ingevolge dit artikel is het bepaalde bij artikel 33 niet van toepassing. De aanleg van kabels en netwerkaansluitpunten door de houder van de concessie in en op gronden, alsmede in en aan gebouwen van anderen brengt geen wijziging in de eigendom van hetgeen is aangelegd. Dit artikel is mede van toepassing op kabels en netwerkaansluitpunten aangelegd voor het in werking treden van deze bepaling. De houder van de concessie is verplicht op eigen kosten tot verplaatsing van kabels ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur over te gaan, indien deze verplaatsing nodig is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege degene op wie een gedoogplicht rust. In andere gevallen dan in het eerste lid bedoeld gaat de houder van de concessie slechts tot de daar bedoelde verplaatsing over indien de verzoeker hem de kosten daarvan vergoedt. Bij gebreke van overeenstemming over de kosten bedoeld in het tweede lid is het bepaalde in artikel 33, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Rechthebbenden ten aanzien van bomen of beplantingen zijn, behoudens recht op schadevergoeding, verplicht deze op verzoek van de houder van de concessie op te snoeien dan wel de wortels of takken daarvan in te korten, voor zover deze redelijkerwijs hinderlijk zijn of worden voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur. Voldoen de rechthebbenden niet binnen veertien dagen na ontvangst van een schriftelijke kennisgeving aan hun verplichting, dan kan op schriftelijke last van Onze Minister daaraan door de houder van de concessie uitvoering worden gegeven. In geval van ernstige belemmering of storing van de telecommunicatie kan onmiddellijk tot het opsnoeien dan wel inkorten van wortels of takken worden overgegaan, waarna zo spoedig mogelijk hiervan schriftelijk aan de rechthebbende kennis wordt gegeven. De eis tot schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 32, 35 en 38 wordt, onafhankelijk van hetgeen gevorderd wordt, aanhangig gemaakt bij de kantonrechter in wiens ambtsgebied de onroerende zaak waaraan schade wordt toegebracht is gelegen. Indien de onroerende zaak in meer dan één kanton is gelegen, wordt de eis aanhangig gemaakt bij één van de kantonrechters, ter keuze van de eiser. Van de uitspraak van de kantonrechter is hoger beroep toegelaten. De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op de twistgedingen in dit artikel bedoeld van toepassing, voor zover daarvan in de voorgaande leden van dit artikel niet is afgeweken. Ook voordat omtrent de schadevergoeding overeenstemming verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot de uitvoering van de in de artikelen 32, 35 en 38 bedoelde werkzaamheden worden overgegaan. Ten behoeve van de werkzaamheden voor de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels en netwerkaansluitpunten ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur hebben de hiermee belaste personen toegang tot de percelen, voor zover de betreding daarvan ter vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bij toepassing van het eerste lid kan zonder toestemming van de bewoner een woning worden binnengetreden door in het eerste lid bedoelde personen die Onze Minister daartoe bevoegd heeft verklaard. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabelverbindingen, verricht door a. de houder van een vergunning in het kader van een op grond van artikel 13r, eerste lid, verleende toestemming, of b. de houder van een infrastructuurvergunning in het kader van de op grond van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur verleende vergunning. BEMIDDELING Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de procedure volgens welke de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die rechtstreeks in zijn belang is getroffen een oordeel van Onze Minister kan vragen over een maatregel, door de houder van de concessie dan wel door een houder van een infrastructuurvergunning genomen in het kader van de geharmoniseerde voorwaarden die betrekking hebben op open en efficiënte toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten overeenkomstig richtlijn nr. 90/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PbEG L 192), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld. Indien een oordeel van Onze Minister, gegeven krachtens artikel 40b, inhoudt dat een door de houder van de concessie dan wel door een houder van een infrastructuurvergunning genomen maatregel, bedoeld in dat artikel, onredelijk is, kan Onze Minister een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 43. De houder van de concessie dan wel de houder van de infrastructuurvergunning is verplicht deze aanwijzing op te volgen. NUMMERBELEID EN NUMMERBEHEER Onze Minister heeft de zorg voor het nummerbeleid en nummerbeheer. In dit kader is hij in elk geval belast met: a. het vaststellen van nummerplannen; b. het op basis van nummerplannen als bedoeld onder a, toekennen of reserveren van nummers alsmede de wijziging of intrekking van een toekenning of reservering; c. het bijhouden van een overzicht van de toegekende nummers op naam en van de gereserveerde nummers met vermelding van de duur van de reservering, voor een ieder kosteloos ter inzage op een door Onze Minister bekend te maken plaats. Een nummerplan kan betrekking hebben op nummers die bestemd zijn voor een of meer in artikel 1, onder cc, bedoelde doeleinden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de aanvraagprocedure tot het toekennen of reserveren van nummers alsmede de wijziging of intrekking van een toekenning of reservering. Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen op het gebied van nummerbeleid en nummerbeheer, anders dan genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c. Vooruitlopend op de vaststelling van een nummerplan als bedoeld in artikel 40d, eerste lid, onder a, kan Onze Minister reeds tijdens het voorbereidingsproces van een nummerplan, nummers toekennen voor de bij ministeriële regeling bepaalde bestemmingen. Deze bevoegdheid duurt tot een bij de ministeriële regeling vastgestelde termijn. Onze Minister kan, indien nodig, aan anderen dan degenen bedoeld in artikel 3, derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, van deze wet, of artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, nummers toekennen of voor hen nummers reserveren. Het is een ieder verboden: a. om nummers voorkomend in een krachtens artikel 40d vastgesteld nummerplan of vallend onder het toepassingsgebied van een krachtens artikel 40e vastgestelde ministeriële regeling voor doeleinden waarvoor ze door het nummerplan of door de ministeriële regeling zijn bestemd, te gebruiken anders dan op grond van een toekenning krachtens artikel 3, derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, 40f, van deze wet, of artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur; b. in strijd met het krachtens in artikel 40d, vierde lid, bepaalde, te handelen. Het is verboden in strijd te handelen met de voorschriften en beperkingen, verbonden aan een toekenning krachtens artikel 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, of 40f. VERGOEDINGEN Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels is een door Onze Minister vast te stellen vergoeding verschuldigd voor: a. de concessie, bedoeld in artikel 3, een registratie als bedoeld in artikel 7a, 22a, eerste lid, of 23a, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 13a, een ontheffing als bedoeld in artikel 13p, vierde lid, een toestemming als bedoeld in artikel 13r, eerste lid, een oordeel als bedoeld in de artikelen 4c of 13q, dan wel een machtiging als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, 19, derde lid, onder a, 21, eerste lid en derde lid, 23, eerste lid, en 30b, tweede lid, onder c, welke vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de concessie, een registratie, een vergunning onderscheidenlijk de machtiging en het toezicht op de naleving door de houder van de concessie, de houder van een registratie, de houder van een vergunning dan wel de houder van de machtiging van de bij of krachtens deze wet gegeven regels, voorschriften en beperkingen; b. het toezicht op de naleving door de houder van een infrastructuurvergunning van de bij of krachtens deze wet of de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur gegeven regels, voorschriften en beperkingen; c. het verkrijgen van de bevoegdheid tot bediening van radio-elektrische zendinrichtingen als bedoeld in artikel 17, zesde lid, onder b; d. de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot: 1°. de keuring, toelating en registratie van inrichtingen, als bedoeld in artikel 17, zesde lid, onder c, en het toezicht op de naleving daarvan, 2°. de goedkeuring van randapparatuur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder c, en het toezicht op de naleving van de met betrekking tot de goedkeuring gestelde regels, en 3°. de keuring van kwaliteitssystemen of van apparaten, bedoeld in artikel 30, derde lid, en het toezicht op de naleving ervan; e. de kosten van de behandeling van klachten over belemmeringen als bedoeld in artikel 17, zesde lid, onder d, en in artikel 19, tweede lid, voorzover daarin artikel 17, zesde lid, onder d, van overeenkomstige toepassing is verklaard, en de kosten van de behandeling van klachten over storingen als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b; f. een erkenning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder a, of in artikel 30, derde lid, welke vergoeding verschuldigd is voor de kosten van bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van de erkenning en het toezicht op de naleving door de erkende instantie van de bij of krachtens deze wet met betrekking tot de erkenning gegeven regels; g. de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van een ontheffing, als bedoeld in de artikelen 14, zesde lid, en 25, tweede lid, en het toezicht op de naleving van zodanige ontheffing; h. de kosten voor het aanwenden van middelen als bedoeld in artikel 30, tweede lid, onder b, waaronder begrepen de kosten voor het uitvoeren van keuringen ter controle op het voldoen aan de vereisten; i. het vragen van een oordeel van Onze Minister, bedoeld in artikel 40b. j. het toekennen of reserveren van nummers, bedoeld in artikel 3, derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zevende lid, of 40f, welke vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de toekenning of reservering van nummers of het wijzigen, verlengen of intrekken daarvan en het toezicht op de naleving door de houder van nummers, toegekend krachtens een van de genoemde artikelen of krachtens artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, toegekende nummers van de bij of krachtens deze wet of de Vergunningenwet gegeven regels, voorschriften en beperkingen. Overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels wordt van de gebruikers van zendinrichtingen een door Onze Minister vast te stellen jaarlijkse bijdrage geheven ter dekking van de kosten die voor de overheid voortvloeien uit de toepassing van het bij of krachtens deze wet ter zake van de elektromagnetische compatibiliteit bepaalde, voorzover deze kosten niet reeds krachtens het eerste lid verschuldigd zijn. BEROEP Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van een aanwijzing gegeven op grond van de artikelen 28 en 57, kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. TOEZICHT Toezicht op de uitoefening van concessietaken alsmede de taken van de houder van een infrastructuurvergunning Indien de houder van de concessie of de houder van een infrastructuurvergunning handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gestelde regel, kan Onze Minister deze een aanwijzing geven. Onze Minister is bevoegd om ten aanzien van de houder van de concessie of de houder van een infrastructuurvergunning bestuursdwang toe te passen. Hieronder wordt verstaan het doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand herstellen van hetgeen door de houder van de concessie in strijd met een bij of krachtens deze wet gestelde regel is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. De artikelen 127, 128, 129, 131, 132, 134 en 135 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. In plaats van de toepassing van bestuursdwang kan Onze Minister aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde belang zich daartegen verzet. De artikelen 137, tweede lid, eerste, tweede en derde volzin, en derde lid, 138 en 139 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de houder van de concessie of de houder van een infrastructuurvergunning handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gestelde regel, kan Onze Minister hem een administratieve boete opleggen van ten hoogste een miljoen gulden. Verplichtingen, vastgesteld bij of krachtens het bepaalde in § 2c. van hoofdstuk II en in de hoofdstukken IIA, III, IV, IVA, V en VIB Deze paragraaf is van toepassing ten aanzien van het toezicht op de naleving en de handhaving van verplichtingen, welke in het bepaalde bij of krachtens § 2c. van hoofdstuk II en de hoofdstukken IIA, III, IV, IVA, V en VIB zijn vastgesteld. Met het toezicht zijn belast: a. de ambtenaren van onder Onze Minister ressorterende diensten, die daartoe door hem zijn aangewezen; b. de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die daartoe door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, zijn aangewezen. De toezichthoudende ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd: a. met de daarvoor nodige apparatuur alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner, te betreden, waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat inrichtingen of apparaten aanwezig zijn; b. inrichtingen, apparaten en onderdelen daarvan aan een onderzoek ter plaatse te onderwerpen of tegen schriftelijk bewijs voor onderzoek mee te nemen voor de tijd die redelijkerwijs daarvoor nodig is. De toezichthoudende ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd om van personen van wie zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zij alleen of mede verantwoordelijk zijn voor het gebruik van vaste verbindingen of de aanleg, het aanwezig hebben, het gebruik of de exploitatie van inrichtingen: a. inlichtingen te vorderen; b. inzage te vorderen en afschrift te nemen van bescheiden die met betrekking tot inrichtingen en apparaten bij of krachtens de wet zijn voorgeschreven dan wel daarvan tegen een schriftelijk bewijs voor korte tijd afgifte te vorderen ten einde afschrift te nemen; c. afgifte te vorderen van ongeldige bescheiden. Indien de desbetreffende personen uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding zijn verplicht, kunnen zij zich van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen verschonen, voorzover deze inlichtingen of bescheiden betreffen, welke aan hen in hun hoedanigheid zijn toevertrouwd. Onze Minister is bevoegd om, indien de ten aanzien van inrichtingen of apparaten krachtens artikel 17, 19, 29 of hoofdstuk V gestelde regels dan wel voorschriften en beperkingen inzake het voorkomen en opheffen van belemmeringen of storingen in andere apparaten niet worden nageleefd, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan de houder van zodanige inrichting of apparaat aanwijzingen te geven tot het voorkomen en opheffen van belemmeringen of storingen. Bij het niet naleven van de aanwijzingen, bedoeld in de eerste volzin of in artikel 30b, tweede lid, onder a, kan Onze Minister op kosten van de houder de nodige werkzaamheden doen uitvoeren ter voorkoming en opheffing van belemmeringen en storingen. Indien de ten aanzien van de aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik van telecommunicatie-inrichtingen als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk III gestelde regels dan wel de aan een machtiging voor zodanige inrichting verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd, is Onze Minister bevoegd om ten aanzien van telecommunicatie-inrichtingen als hiervoor bedoeld overeenkomstig bij die maatregel te stellen regels: a. aan de houder van de inrichting een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen; b. de inrichting op kosten van de houder van de inrichting te doen verzegelen en in bewaring te doen nemen; c. aan de houder van de machtiging voor de inrichting een administratieve boete van ten hoogste vijftigduizend gulden op te leggen. De houder van een telecommunicatie-inrichting ten aanzien waarvan een dwangmaatregel als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, is genomen, is verplicht deze dwangmaatregel na te leven dan wel te gedogen. Het in het tweede lid, aanhef en onder c, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op telecommunicatie-inrichtingen bedoeld in de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III. Indien de houder van een vergunning de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de houder van de vergunning en de telecommunicatie-inrichtingen waarvan hij gebruik maakt, met dien verstande dat de hoogte van de administratieve boete, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, ten hoogste een miljoen gulden bedraagt. Indien de exploitant van een telecommunicatienet onderscheidenlijk de aanbieder van een telecommunicatiedienst wiens net onderscheidenlijk dienst krachtens artikel 1a is aangewezen, de bij of krachtens artikel 29a gestelde regels niet nakomt, kan de exploitant onderscheidenlijk de dienstaanbieder een administratieve boete van ten hoogste een miljoen gulden worden opgelegd. Onze Minister is bevoegd om ten aanzien van de houder van een vergunning bestuursdwang toe te passen. Hieronder wordt verstaan het doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand herstellen van hetgeen door de houder van een vergunning in strijd met bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. De artikelen 127, 128, 129, 131, 132, 134 en 135 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. In plaats van de toepassing van bestuursdwang kan Onze Minister aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde belang zich daartegen verzet. De artikelen 136, tweede lid, eerste, tweede en derde volzin, en derde lid, 137 en 138 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. In geval van overtreding van de artikelen 4c, 5, 7, eerste tot en met vierde lid, 7b, 13f, 14, 22c, 23c of 40g kan Onze Minister aan de overtreder een administratieve boete van ten hoogste een miljoen gulden opleggen. Onze Minister kan van de overtreder bij dwangbevel de volgende bedragen, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen: a. de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 43a of 48a; b. het bedrag dat verschuldigd is ingevolge een verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 43a of 48a; c. het bedrag dat verschuldigd is ingevolge een krachtens artikel 43b, 48 of 48b opgelegde administratieve boete; d. de overige kosten, verbonden aan de toepassing van artikel 43b of 48. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. De betekening van het dwangbevel geschiedt op kosten van de overtreder. Gedurende zes weken na betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen. De in het eerste lid bedoelde bedragen komen toe aan de Staat. STRAF- EN OPSPORINGSBEPALINGEN Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft: a. hij die handelt in strijd met artikel 13f; b. hij die handelt in strijd met artikel 17, eerste lid, met betrekking tot een radio-elektrische zendinrichting als aangewezen krachtens artikel 17, derde lid; c. hij die handelt in strijd met artikel 26 met betrekking tot radio-elektrische zendinrichtingen, aangewezen krachtens artikel 17, derde lid; d. hij die handelt in strijd met artikel 27, eerste lid. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onder b, is medeplichtigheid aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, aanhef en onder d, niet strafbaar. Vervallen Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft: a. overtreding van de artikelen 7, eerste tot en met vierde lid, 14, eerste lid, 17, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, eerste lid, 26, 29, achtste lid, en 30a, eerste en tweede lid; b. overtreding van artikel 27, tweede lid; c. het aansluiten of aangesloten houden op een openbaar telecommunicatienet van randapparatuur waarvoor niet een verklaring van toelating als bedoeld in artikel 29, derde lid, is afgegeven; d. het niet naleven van de verplichting bedoeld in artikel 48, derde lid. Overtreding van de regels gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bedoeld in de artikelen 17, vierde lid, 19, eerste lid, 29, negende lid, 30, eerste lid, en 30b, eerste lid, en tweede lid, onder c, dan wel van de regels gesteld krachtens artikel 20, tweede lid, wordt, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit aangemerkt, gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de derde categorie. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die, aan boord van een zich buiten elk nationaal gebied bevindend vaartuig, luchtvaartuig of ander drijvend dan wel door de lucht gedragen voorwerp, zich schuldig maakt aan een der in het eerste lid, aanhef en onder d, en het vierde lid, aanhef en onder b, strafbaar gestelde feiten. De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in het vierde en vijfde lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1925, 343) aangewezen ambtenaren, belast de ambtenaren die daartoe door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, zijn aangewezen. Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 51 bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. De in artikel 51 bedoelde ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten, te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en tot vordering van uitlevering daarvan. BIJZONDERE BEPALINGEN In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie, aan de houder van een landelijke infrastructuurvergunning en aan de houder van een vergunning aanwijzingen te geven met betrekking tot de verzorging van telecommunicatie van en naar het buitenland. Bij koninklijk besluit kunnen in buitengewone omstandigheden voor Nederland of een deel daarvan de artikelen 57, eerste tot en met vierde lid, en 58, eerste tot en met derde lid, in werking worden gesteld. Een in het eerste lid bedoeld besluit wordt vastgesteld op voordracht van Onze minister-president. Het besluit treedt niet in werking dan nadat het op een daarin te bepalen wijze algemeen bekend is gemaakt. Het besluit wordt in elk geval in het Staatsblad geplaatst. Met betrekking tot de intrekking van het besluit zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing. Indien een in artikel 55, eerste lid, bedoeld besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet bij de Staten-Generaal ingediend omtrent het voortduren van de in artikelen 57 en 58 bedoelde bevoegdheden. Wordt het voorstel van wet ingetrokken of verworpen dan treden het in het eerste lid bedoelde besluit en de artikelen 57, eerste tot en met vierde lid, en 58, eerste tot en met derde lid, van rechtswege buiten werking met ingang van de vierde dag na die waarop de intrekking of verwerping van het voorstel heeft plaats gehad. Ingeval het tweede lid toepassing heeft gevonden wordt bij koninklijk besluit bepaald op welk tijdstip artikel 57, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 58, vierde lid, buiten werking treedt. Ten aanzien van zodanig besluit is artikel 55, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Ingeval het tweede lid toepassing vindt, wordt een mededeling over het tijdstip waarop het desbetreffende koninklijk besluit vervalt, door de zorg van Onze minister-president tijdig algemeen bekend gemaakt. De mededeling wordt in ieder geval geplaatst in de Nederlandse Staatscourant. Onze Minister is bevoegd aan de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning alsmede voor zover van toepassing aan de houder van een vergunning aanwijzingen te geven met betrekking tot: a. de instandhouding en exploitatie van hun openbare telecommunicatienetten, b. het verzorgen en het gebruiken van hun openbare telecommunicatiediensten, c. het ter beschikking stellen van vaste verbindingen en het gebruik daarvan, van, naar of in het gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 55 van kracht is. Ingeval voor Nederland of een deel daarvan krachtens de Oorlogswet voor Nederland (Stb. 1964, 337) de staat van oorlog of de staat van beleg is afgekondigd, oefent Onze Minister de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste en tweede lid afwijken van de verplichtingen die ingevolge deze wet op de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning rusten, en voor zover van toepassing op de houder van een vergunning. De aanwijzingen die ingevolge het eerste en tweede lid aan de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning, en voor zover van toepassing aan de houder van een vergunning zijn gegeven, zijn voor deze verbindend. Indien de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning, en voor zover van toepassing de houder van een vergunning als gevolg van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste en tweede lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister hem een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe. Onze Minister is bevoegd regels te stellen met betrekking tot de beperking of beëindiging van het gebruik van telecommunicatie-inrichtingen, als bedoeld in hoofdstuk III voor telecommunicatie van, naar of in het gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 55 van kracht is. Ingeval voor Nederland of een deel daarvan krachtens de Oorlogswet voor Nederland (Stb. 1964, 337) de staat van oorlog of de staat van beleg is afgekondigd, oefent Onze Minister de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste en tweede lid afwijken van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk III. Indien degene die gerechtigd is tot het gebruik van een in het eerste lid bedoelde inrichting als gevolg van de regels gesteld krachtens het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister hem een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe. Bij toepassing van artikel 19 van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952, 361) is de houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning, verplicht de krachtens het eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door die autoriteiten gegeven opdrachten. Bij toepassing van artikel 45 van de Oorlogswet voor Nederland is de houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning, verplicht het militair gezag of een orgaan als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat gezag of dat orgaan gegeven opdrachten. Onze Minister geeft, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie, aan de houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning, voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen bijzondere voorzieningen met betrekking tot de voorbereiding van het door hen te verzorgen elektronisch transport van gegevens in buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 55 en de door hen daarover aan Onze Minister te verstrekken informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke kosten van de uitvoering redelijkerwijze ten laste van de houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning, dienen te komen. De in het eerste lid bedoelde bijzondere voorzieningen hebben betrekking op: a. de beveiliging van bepaalde onderdelen van een openbaar telecommunicatienet; b. de afwikkeling van het elektronisch transport van gegevens over een openbaar telecommunicatienet; c. aanvullende infrastructurele voorzieningen voor het elektronisch transport van gegevens en de beveiliging daarvan. OVERIGE BEPALINGEN De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de regels van het volkenrecht. Onze Minister betrekt de houder van de concessie tijdig bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, eerste lid, 8, 12, tweede lid, 29, eerste lid en negende lid, 30, eerste lid, en 30b, eerste en tweede lid. De houder van de concessie is verplicht de nodige medewerking te verlenen bij de voorbereiding van de hiervoor bedoelde besluiten, daaronder begrepen het opstellen van ontwerpen voor besluiten als bedoeld in artikel 29, eerste lid. Onze Minister hoort de houder van de concessie over het voornemen tot een besluit als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 13r, 14, zesde lid, 18, 22, derde lid, 23, 25, tweede lid, 43 en 60. Onze Minister hoort de houder van een landelijke infrastructuurvergunning onderscheidenlijk de houder van een vergunning over het voornemen tot een hem betreffend besluit, houdende voorschriften als bedoeld in artikel 10, tweede lid, en over het voornemen tot een besluit als bedoeld in artikel 60. Onze Minister betrekt belanghebbende organisaties tijdig bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, 30, eerste lid, en 30b, eerste en tweede lid. De voordracht voor een wijziging van de algemene maatregel van bestuur bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 12, tweede lid, en 29, eerste, tweede en negende lid, wordt niet gedaan dan nadat een ontwerp van dat besluit aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden alsmede in de Staatscourant is bekend gemaakt en nadat aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen een termijn van twee maanden wensen en bezwaren ter kennis van Onze Minister te brengen. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin hij wordt geplaatst. Een besluit houdende wijziging van de algemene richtlijnen als bedoeld in artikel 8 wordt niet eerder vastgesteld dan twee maanden nadat een ontwerp van dat besluit aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden behoudens indien de wijziging strekt tot uitvoering van een bindend besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen. Vervallen De houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning, de houder van een vergunning en de houder van een registratie als bedoeld in de artikelen 22a en 23a, is verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het afluisteren of opnemen van de telecommunicatie die over de telecommunicatie-infrastructuur wordt afgewikkeld. Het eerste lid is tevens van toepassing met betrekking tot de telecommunicatie die wordt afgewikkeld over de telecommunicatie-inrichtingen van de houder van een machtiging die de desbetreffende telecommunicatie-inrichtingen gebruikt ten behoeve van het voor derden verzorgen van het transport van gegevens met en tussen mobiele gebruikers. De investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor de technische voorzieningen die door de houder van een vergunning voor het voor derden verzorgen van openbare mobiele telecommunicatie in de vorm van telefonie als bedoeld in aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987 (PbEG L 196), zijn gemaakt teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in artikel 64, komen te zijnen laste. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN De Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) wordt ingetrokken, met dien verstande dat de regels vastgesteld krachtens de desbetreffende bepalingen van genoemde wet worden geacht te zijn vastgesteld krachtens de overeenkomstige bepalingen van deze wet. Machtigingen die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn verleend voor de aanleg en het gebruik van een telegraaf of telefoon dan wel van een andere inrichting, welke overeenkomt met een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in artikel 23 van deze wet, worden geacht te zijn verleend krachtens artikel 23 van deze wet. Machtigingen en vrijstellingen die op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn verleend voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen, worden geacht te zijn verleend krachtens artikel 17 of 18 dan wel artikel 19 van deze wet. Machtigingen die op grond van het bepaalde krachtens artikel 3sexies, vierde lid, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn verleend voor de aanleg en instandhouding van draadomroepinrichtingen en voor de exploitatie daarvan overeenkomstig de bestemming, worden geacht te zijn verleend op grond van artikel 21 van deze wet. Voorzover in voorschriften verbonden aan een machtiging als bedoeld in het tweede of derde lid, toestemming is gegeven voor een vorm van telecommunicatie bedoeld in artikel 14, eerste lid, van deze wet, wordt deze toestemming geacht te zijn verleend bij ontheffing op grond van artikel 14, tweede lid, van deze wet. Voorzover in voorschriften verbonden aan een machtiging als bedoeld in het tweede lid, toestemming is gegeven voor het koppelen van de inrichting aan een andere inrichting, waarvoor een machtiging als bedoeld in het tweede of derde lid, is verleend, wordt deze toestemming geacht te zijn verleend bij ontheffing op grond van artikel 25, tweede lid, van deze wet. Een machtiging die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) ten aanzien van een inrichting is verleend voor ander gebruik dan waarvoor ten aanzien van die inrichting een machtiging is verleend op grond van artikel 3sexies van die wet, wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 22 van deze wet. Het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid geldt ten aanzien van de daarin bedoelde inrichtingen uitsluitend voor de voorschriften en beperkingen met betrekking tot de duur, de omvang, het gebruik en de technische eisen waaronder de machtigingen voor deze inrichtingen zijn verleend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van inrichtingen bestemd voor telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken, die geen draadomroepinrichting zijn, welke door organen en diensten van het rijk, niet behorende tot het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, op grond van artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn aangelegd, in stand gehouden en gebruikt ten behoeve van de vervulling van hun taken, is het tweede lid van artikel 23 van deze wet niet van toepassing voor zover het betreft de omvang, het gebruik en de technische staat van de inrichtingen op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet. De Mediawet wordt als volgt gewijzigd: A. In artikel 1 eerste lid, onder m, worden de woorden «artikel 1, onder f, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. no. 7)» vervangen door: artikel 1, onder g, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520). B. In artikel 1, eerste lid, onder n, wordt de zinsnede «de houder van een machtiging of concessie voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van een draadomroepinrichting dan wel, bij aanleg, instandhouding en exploitatie van Rijkswege, het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie» vervangen door: degene die met machtiging of krachtens vrijstelling een draadomroepinrichting aanlegt, in stand houdt of exploiteert, dan wel de houder van de concessie bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen indien deze de aanleg, instandhouding en exploitatie verzorgt. C. Aan artikel 70 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt: Onze Minister kan bepalen dat de verplichtingen neergelegd in artikel 65 geheel of ten dele niet gelden ten aanzien van de beheerder van door de minister aangewezen categorieën draadomroepinrichtingen. Deze aanwijzing kan slechts geschieden ten aanzien van draadomroepinrichtingen die van zeer geringe omvang zijn of die uitsluitend worden gebruikt voor één bijzonder doel. D. In artikel 167, eerste lid, worden de woorden «Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. 7)» vervangen door: Wet op de telecommunicatievoorzieningen. De Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 wordt als volgt gewijzigd: A. In artikel 1, derde lid, worden de woorden «het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie» vervangen door: PTT Nederland NV of een dochtermaatschappij daarvan. B. In artikel 2, eerste lid, worden de woorden «artikel 3ter, eerste lid, der Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel 17, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520). C. In artikel 2, derde lid, worden de woorden «artikel 3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel 17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. D. In artikel 2, vierde lid, worden de woorden «artikel 3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel 17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. E. In artikel 2, vijfde lid, worden de woorden «artikel 3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel 17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. F. In artikel 2, zesde lid, worden de woorden «Art. 13 der Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7 is van toepassing» vervangen door: De artikelen 31 tot en met 40 en artikel 63 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen zijn van overeenkomstige toepassing. G. In artikel 2, zevende lid, worden de woorden «Onze Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie» vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. H. Artikel 2, achtste lid, komt te luiden: «De NOZEMA zal door de aanleg en het gebruik van haar inrichtingen geen belemmering teweegbrengen in de aanleg, instandhouding en exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en voor de aanleg, instandhouding en gebruik van telecommunicatie-inrichtingen van overheidsorganen en -diensten, aangewezen krachtens artikel 28 van die wet. I. Artikel 2bis vervalt. J. In artikel 4, tweede lid, worden de woorden «Onze Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie» vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. K. In artikel 7, tweede lid, worden de woorden «Onze Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie» vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. De Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) wordt als volgt gewijzigd: A. In artikel 9e, tweede lid, onder a, worden de woorden «de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. no. 7)» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520). B. In artikel 12, vijfde lid, worden de woorden «de Telegraaf- en Telefoonwet 1904» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. C. In artikel 13, tweede lid, worden de woorden «de Telegraaf- en Telefoonwet 1904» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. De Auteurswet 1912 (Stb. 308) wordt als volgt gewijzigd : In artikel 15, eerste lid, worden in de aanhef en onder 1° de woorden «de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7)» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520). In artikel 16, eerste lid, onder b, worden de woorden «de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7)» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520). Bij de toepassing van deze wet wordt niet getreden in de onderwerpen geregeld bij of krachtens de Mediawet. Het bepaalde bij of krachtens deze wet is, behoudens het bepaalde in artikel 67, niet van toepassing voor zover het betreft hetgeen in de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 ten aanzien van de NV NOZEMA is geregeld en de daaraan gegeven toepassing. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de telecommunicatievoorzieningen.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Beschikking van de Minister van Justitie van 20 juni 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in