Besluit van 1 november 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964
This decree amends the 1964 income tax implementing decree, including deleting some references, repealing articles 1a and 4, and updating the rule on certain pension and survivors’ provision calculations.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 12 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 1 november 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 1 november 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964
AI-assisted research summary: This decree amends the 1964 income tax implementing decree, including deleting some references, repealing articles 1a and 4, and updating the rule on certain pension and survivors’ provision calculations.
Staatsblad Besluit van 1 november 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 27 juni 1995, nr. WDB95/211M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op de artikelen 45a, derde lid, en 67 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1995, nr. W06.95.0322); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 26 oktober 1995, nr. WDB95/288U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; In het >Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 worden de volgende wijzigingen aangebracht. In artikel 1, eerste lid, vervallen «66b, tweede lid,» en «(Stb. 1990, 103)». Artikel 1a vervalt. In artikel 3, derde lid, vervalt «(Stb. 1990, 129)». In het vierde lid wordt «waarbij voor niet ingegane pensioenen niet meer diensttijd in aanmerking wordt genomen dan de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar heeft» vervangen door: waarbij voor niet ingegane pensioenen alleen diensttijd tot het begin van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen. In artikel 3a, derde lid, vervalt «(Stb. 1990, 130)». Na het zesde lid wordt toegevoegd: Met betrekking tot het bepalen of een belastingplichtige een niet te verwaarlozen tekort heeft aan opgebouwde nabestaandenvoorzieningen ten behoeve van degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 45a, derde lid, van de wet, is het eerste tot en met het zesde lid van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 vervalt. In artikel 6, eerste lid, vervalt «(Stcrt. 1971, 249)». In artikel 7, eerste lid, vervalt «(Stb. 1989, 252)». Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel I, onderdeel D.2, terugwerkt tot en met 1 januari 1992. Stb. 1964, 524, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 maart 1994, Stb. 245. Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 12 december 1995, nr. 241. NOTA VAN TOELICHTING Met de onderhavige algemene maatregel van bestuur worden enige wijzigingen aangebracht in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964. Een aantal van deze wijzigingen houdt verband met recente wetgeving. Deze zullen in het navolgende afzonderlijk worden toegelicht. De overige, niet afzonderlijk toegelichte, wijzigingen betreffen het vervallen van de Staatsblad- of Staatscourantaanduidingen van een aantal aangehaalde wetten (zie aanwijzing 86 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Ingevolge artikel 66b, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 december 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (technische wijziging index voor berekening tabelcorrectiefactor) (Stb. 929), werden bij de bepaling van de tabelcorrectiefactor de gehanteerde prijsindexcijfers op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze gezuiverd van de invloed van wijzigingen in de bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen tarieven van kostprijsverhogende belastingen en door de overheid verleende kostprijsverlagende subsidies. Aan deze delegatiebepaling is uitvoering gegeven in artikel 1a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964. Bij voornoemde wet van 15 december 1994 is artikel 66b evenwel gewijzigd met betrekking tot de te hanteren reeks prijsindexcijfers. Omdat voortaan een reeks prijsindexcijfers gebruikt gaat worden die reeds gezuiverd is voor de invloed van wijzigingen in tarieven van kostprijsverhogende belastingen en consumptiegebonden belastingen is de delegatiebepaling in artikel 66b, tweede lid, die voorheen zuivering mogelijk maakte, bij voornoemde wet vervallen. In verband hiermee is, zoals in Kamerstukken II 1993/94, 23 865, nr. 3, blz. 5, is opgemerkt, artikel 1a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 van rechtswege vervallen. Niettemin meen ik dat het misverstanden kan voorkomen artikel 1a expliciet uit het besluit te verwijderen. Onderdeel B strekt hiertoe. Tevens kan in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 de verwijzing naar genoemd artikel 66b, tweede lid, vervallen (onderdeel A). Ingevolge artikel 3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 wordt bij het voor de tekortberekening bepalen van de opgebouwde pensioenrechten bij niet-ingegane pensioenen niet meer diensttijd in aanmerking genomen dan de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar heeft. Met deze beperking wordt aangegeven dat het hierbij gaat om reeds opgebouwde aanspraken en dat eventuele toekomstige dienstjaren derhalve niet meetellen. Wel dienen mee te tellen aan de belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken (niet zijnde aanspraken op een nabestaandenpensioen) die worden ontleend aan reeds verstreken diensttijd van een ander dan de belastingplichtige. Dit kan zich bij voorbeeld voordoen indien in het kader van een echtscheiding pensioenaanspraken overgaan op de ex-echtgenoot. Met de in onderdeel C.2 opgenomen wijziging wordt deze bedoeling duidelijk in de tekst van het besluit tot uitdrukking gebracht. De in onderdeel D.2 opgenomen wijziging van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 houdt verband met de in de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de inkomstenbelasting (kapitaalverzekeringen en periodieke uitkeringen) (Stb. 926), opgenomen wijziging van artikel 45a, derde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de zogenoemde derde tranche van de lijfrentepremie-aftrek). Ingevolge laatstgenoemde wijziging komt een belastingplichtige ook in aanmerking voor de in dat lid genoemde extra mogelijkheid tot lijfrentepremie-aftrek indien hij een niet te verwaarlozen tekort heeft aan nabestaandenvoorzieningen ten behoeve van degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge het nieuwe artikel 3a, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 zijn nu met betrekking tot het bepalen of een belastingplichtige een dergelijk niet te verwaarlozen tekort heeft, de voorgaande leden van dat artikel, waarin wordt geregeld wanneer een belastingplichtige een niet te verwaarlozen tekort heeft aan opgebouwde nabestaandenvoorzieningen ten behoeve van de echtgenoot, van overeenkomstige toepassing. In het bij dit besluit vervallen artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 was voorzien in toepassing van het (hoge) bijzondere tarief bij uitkeringen ineens – andere dan die genoten worden ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten (afkoop) – ingevolge een aanspraak die berust op een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Aangezien dergelijke uitkeringen in de praktijk niet meer plegen voor te komen, kan dit artikel vervallen. Mocht een dergelijke uitkering zich evenwel in de toekomst toch nog voordoen, hetgeen slechts denkbaar is op basis van een in het (verre) verleden gegeven aanwijzing als pensioenregeling van een regeling met een bijkomstige mogelijkheid voor uitkeringen ineens, dan ontmoet het bij mij geen bezwaar indien hierop alsnog het bijzondere tarief wordt toegepast. Benadrukt zij dat het hierbij dus niet gaat om afkoopsommen van pensioenen, maar om uitkeringen ineens die reeds in de pensioenregeling waren voorzien. Als voorbeeld kan worden gedacht aan een in de pensioenregeling geregelde eenmalige uitkering bij overlijden van de (ex-)werknemer aan zijn echtgenote. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Met betrekking tot de in artikel I, onderdeel D.2, opgenomen wijziging van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 is, in navolging van de in de wet van 23 december 1994 (Stb. 926), opgenomen wijziging van artikel 45a, derde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzien in een terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1992. Aldus wordt bereikt dat beide wijzigingen vanaf de inwerkingtreding van de zogenoemde Brede herwaardering gaan gelden, en dat ook ongehuwd samenwonenden derhalve vanaf die datum van de in genoemd artikel 45a, derde lid, opgenomen regeling gebruik kunnen maken.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 1 november 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in