Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024)
This provision sets tax rate tables and several special tax rules, including a reinvestment reserve rule, data-sharing duties for certain state-aid cases, and transitional commencement rules.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 27 Dec 2023
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024)
AI-assisted research summary: This provision sets tax rate tables and several special tax rules, including a reinvestment reserve rule, data-sharing duties for certain state-aid cases, and transitional commencement rules.
Staatsblad Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 0A A Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV – € 38.098 – 9,32% € 38.098 € 75.518 € 3.550 36,97% € 75.518 – € 17.382 49,50% B Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV – € 40.021 – 9,32% € 40.021 € 75.518 € 3.729 36,97% € 75.518 – € 16.852 49,50% Ba C D E F G H 3. De bodemwaarde van een gebouw is: de WOZ-waarde van het gebouw. I J K tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.54aa (herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen). L Herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen 1. Een herinvesteringsreserve kan mede worden gevormd ter zake van de vervreemding van een bedrijfsmiddel in het kader van het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, zolang het voornemen bestaat dat het bedrag van die reserve in het jaar van die vervreemding of in een van de daaropvolgende drie jaren zal worden geherinvesteerd in een of meer bedrijfsmiddelen ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. 2. Indien bij het bepalen van de winst van een onderneming een herinvesteringsreserve als bedoeld in het eerste lid is gevormd, kan bij tijdige herinvestering het bedrag van die reserve in mindering worden gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige worden aangeschaft of voortgebracht ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, mits voor het bepalen van de winst bij beide ondernemingen dezelfde bepalingen van toepassing zijn. In dat geval wordt de herinvesteringsreserve gelijktijdig en voor hetzelfde bedrag opgenomen in de winst van de onderneming waarin de herinvesteringsreserve is gevormd. 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is artikel 3.54 van overeenkomstige toepassing. M N 4. Tot de reguliere voordelen behoren niet onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, als gevolg van giften aan algemeen nut beogende instellingen en steunstichtingen SBBI door een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. 5. Onder giften worden verstaan bevoordelingen uit vrijgevigheid en al dan niet verplichte bijdragen, voor zover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraken ontstaan. Onder giften worden niet verstaan: giften die niet rechtstreeks worden gedaan door een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft; bevoordelingen of bijdragen in contant geld. O een lidmaatschapsrecht in een vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 125, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de notaris, bedoeld in artikel 25 van de Wet op het notarisambt; een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de gerechtsdeurwaarder, bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet. P Defiscaliseren bepaalde onderlinge vorderingen en schulden 1. Tot de bezittingen behoren niet vorderingen op de partner van de belastingplichtige die corresponderen met een schuld als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de partner aan de belastingplichtige. 2. Tot de bezittingen behoren niet vorderingen van een minderjarig kind op een ouder aan wie de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, wordt toegerekend, die corresponderen met een schuld als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van die ouder aan dat minderjarige kind. 3. Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de vorderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. Q R S T Indien een kind dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, gedurende het kalenderjaar in de huishoudens van diens beide ouders verblijft (co-ouderschap), wordt het kind voor de toepassing van onderdeel b geacht ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen als het kind gedurende ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft en het kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen. In het jaar van aanvang of beëindiging van co-ouderschap wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend indien ten minste zes maanden sprake is van co-ouderschap. U Ua Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen In afwijking van artikel 9.5 wordt in de periode waarin de percentages voor banktegoeden en voor schulden, bedoeld in artikel 5.2, nog niet ingevolge artikel 10.6ter, tweede en vierde lid, voor het kalenderjaar zijn vastgesteld bij het opleggen van een voorlopige aanslag over dat kalenderjaar ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgegaan van bij ministeriële regeling vast te stellen percentages. Daarbij wordt het te hanteren percentage voor banktegoeden vastgesteld op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, en het percentage voor schulden op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. Ub V 0A A Aa B Indien een kind gedurende het kalenderjaar in de huishoudens van diens beide ouders verblijft (co-ouderschap), wordt het kind voor de toepassing van onderdeel b geacht ten minste zes maanden tot de huishoudens van diens beide ouders te behoren indien hij ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een partner gelijkgesteld: degene die uitsluitend vanwege de toepassing van artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, niet als partner wordt aangemerkt; degene die ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige verblijft en uitsluitend door het ontbreken van een inschrijving op dit woonadres in de basisregistratie personen niet als partner in de zin van artikel 1.2 wordt aangemerkt. A B A B A B A B C D A B Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV – € 38.098 – 9,32% € 38.098 € 75.518 € 3.550 36,97% € 75.518 – € 17.382 49,50% C Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV – € 40.021 – 9,32% € 40.021 € 75.518 € 3.729 36,97% € 75.518 – € 16.852 49,50% D E F G H I 3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt voor personen die de 18-jarige leeftijd, maar nog niet de 21-jarige leeftijd hebben bereikt voor afwijking als bedoeld in artikel 18d, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, mede in aanmerking genomen een situatie waarin een ouderdomspensioen, een partnerpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de in de artikelen 18a, 18b en 18c, zoals die op die dag luidden, opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van een regeling waarin de opbouw niet of niet volledig is gekoppeld aan een franchise. Voor de werknemer die over het laatste loontijdvak van 2023 een vergoeding genoot waarop artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat op 31 december 2023 luidde van toepassing was, blijft artikel 2.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals dat op 31 december 2024 luidde van toepassing tot en met uiterlijk 31 december 2026. Indien de werknemer, bedoeld in de eerste zin, op enig moment na 31 december 2023 na een onderbreking opnieuw als ingekomen werknemer wordt aangemerkt, is de eerste zin slechts tot de onderbreking van toepassing. A B Ba Bb C D alle lichamen waarmee de belastingplichtige is verbonden in een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden onder renten ter zake van geldleningen niet begrepen: renten ter zake van geldleningen voor zover die deel uitmaken van winst uit een andere staat als bedoeld in artikel 15e, eerste lid, waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is; renten ter zake van geldleningen die zijn verkregen van groepslichamen voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze geldleningen niet direct verband houden met geldleningen die zijn verkregen van niet-groepslichamen. E F G H A 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, behoren niet tot de opbrengst onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, als gevolg van giften als bedoeld in artikel 4.13, vijfde lid, eerste zin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 aan algemeen nut beogende instellingen en steunstichtingen SBBI door een vennootschap waarin de opbrengstgerechtigde een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel 4.13, vijfde lid, tweede zin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing. B A B A B 7. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 4 percent indien de vrijstelling, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, buiten toepassing blijft op grond van artikel 15, elfde lid. C 11. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, blijft buiten toepassing op de verkrijging van aandelen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a: indien als gevolg van het niet toepassen van die vrijstelling indirect wordt geheven over de waarde van een of meer onroerende zaken in de zin van de omzetbelasting of rechten waaraan deze zijn onderworpen; en voor zover die onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen gedurende ten minste twee jaren na verkrijging daarvan worden gebruikt voor activiteiten waarvoor minder dan nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat. A B Artikel 15, eerste lid, onderdeel i, zoals dat luidde op 31 december 2025, blijft van toepassing op een motorrijtuig waarvan de datum eerste toelating uiterlijk op 31 december 2025 is gelegen. A B C D E waarmee tijdens een voor het motorrijtuig geldende schorsing gebruik van de weg wordt gemaakt op de dag waarop dat motorrijtuig aan een ingevolge hoofdstuk V van de Wegenverkeerswet 1994 te verrichten keuring wordt onderworpen; of. A B C D E A B A een onderneming als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die staatssteun ontvangt als gevolg van een steunmaatregel; een kleine, middelgrote onderneming of micro-onderneming als bedoeld in bijlage I van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); de EAN-code, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet. B C 6. Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige: aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 3.2.1.4, punt 58, onder (b), van de Richtsnoeren 2022/C 80/01 staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022 met betrekking tot transparantievereisten: de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd; het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007; de datum waarop de steun voor het eerst is verleend; per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar; aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 7. Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt: aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in paragraaf 3.2.1.4, punt 58, onder (b), van de Richtsnoeren 2022/C 80/01 staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022, en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is; aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de noodzakelijke gegevens en inlichtingen beschikt. 8. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, of zevende lid, onderdeel a. 9. Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien hij hierover beschikt aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast; het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige. D 5. Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige: aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening met betrekking tot transparantievereisten: de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd; het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007; de datum waarop de steun voor het eerst is verleend; per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar; aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 6. Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt: aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is; aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de gegevens en inlichtingen beschikt. 7. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, of zesde lid, onderdeel a. 8. Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien beschikbaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: E 5. Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige: aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening met betrekking tot transparantievereisten: de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd; het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007; de datum waarop de steun voor het eerst is verleend; per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar; aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 6. Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt: aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in artikel Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is; aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de gegevens en inlichtingen beschikt. 7. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, of zesde lid, onderdeel a. 8. Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien beschikbaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast; het nummer bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige. Ea F 1. Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, voor zover het verbruik van warmte in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 5 372 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf maanden. G A 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas voor het verbruik dat hoger is dan 170 000 kubieke meter het tarief, genoemd in dat onderdeel, tweede aandachtsstreepje, per kubieke meter indien het aardgas wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler. B 1. Op verzoek van de verbruiker die aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, voor het verbruik hoger dan 170 000 kubieke meter van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken voor zover het verbruik van warmte in die onroerende zaak hoger is dan 5 372 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf maanden. 3. Op verzoek van de verbruiker die aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler wordt teruggaaf van de belasting verleend, zulks voor het verbruik tot 1 000 kubieke meter per kalenderjaar per onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken per kalenderjaar. De teruggaaf wordt na afloop van een kalenderjaar verleend. 4. De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de verbruiker, bedoeld in dat lid. De teruggaaf wordt als volgt berekend. Het verschil tussen het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje, en het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, eerste aandachtstreepje, wordt vermenigvuldigd met 1 000. Vervolgens wordt dat bedrag vermeerderd met de op basis van het percentage, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, over dat bedrag berekende omzetbelasting over dat bedrag. Tot slot wordt het bedrag dat daaruit volgt vermenigvuldigd met het aantal onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken binnen de installatie voor blokverwarming, nadat het aantal onroerende zaken eerst is verminderd met één. A B A B A B A B A B A B A B A B A B C A B C D E A B 3. Het percentage van de rente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor de in rekening te brengen en voor de te vergoeden rente verschillend kan worden vastgesteld. A INZAGE IN DE BELASTINGPLICHTIGE OF INHOUDINGSPLICHTIGE BETREFFENDE GEGEVENS 1. De inspecteur verleent op verzoek van een belastingplichtige of inhoudingsplichtige inzage in de gegevens die betrekking hebben op degene die het verzoek doet. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld en kan worden bepaald in welke gevallen of ten aanzien van welke gegevens geen inzage hoeft te worden verleend. 3. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. 4. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. B indien inzage wordt verleend zoals bedoeld in artikel 66a. A B C 4. In afwijking in zoverre van het derde lid is ook na de instemming, bedoeld in dat lid, verrekening mogelijk van belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben. D INVORDERINGSRENTE. E F G H Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, indien deze zich bij de toepassing van deze wet mochten voordoen. I A B C D E F Ba G H Artikel 9.5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 24, derde, vijfde en zesde lid, 27a, tweede en derde lid, en 31 en 70b van de Invorderingswet 1990 en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden op 31 december 2023 blijven van toepassing op voorlopige aanslagen inkomstenbelasting die betrekking hebben op belastingschulden over een tijdvak dat vóór 1 januari 2024 is aangevangen. Na toepassing van de artikelen II, onderdeel A, III, IV, onderdeel A, V, onderdeel A en VI, onderdeel A, of de artikelen VIII, IX, X, XI en XII worden de bedragen in kolom III van de tabellen in de artikelen 2.10, eerste lid, en 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, onderscheidenlijk in de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, bij ministeriële regeling gewijzigd in de bedragen die na toepassing van die artikelen voortvloeien uit de aan het begin van de betreffende jaren in de kolommen I en II van die tabellen vermelde bedragen en de in de kolom IV van die tabellen vermelde percentages. Voor zover de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met inachtneming van artikel XXXVA, bij het begin van de kalenderjaren 2024 tot en met 2034 worden toegepast op het in artikel 8.14a, tweede lid, Wet IB 2001 als tweede vermelde bedrag, worden met overeenkomstige toepassing van die artikelen gewijzigd: bij het begin van het kalenderjaar 2024: de in artikel IV, onderdeel B, artikel V, onderdeel B, artikel VI, onderdeel B, de artikelen VIA tot en met VIE en artikel XVII vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2025: de in artikel IV, onderdeel B, artikel V, onderdeel B, artikel VI, onderdeel B, en de artikelen VIA tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2026: de in artikel IV, onderdeel B, artikel V, onderdeel B, artikel VI, onderdeel B, en de artikelen VIA tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2027: de in artikel IV, onderdeel B, artikel V, onderdeel B, artikel VI, onderdeel B, en de artikelen VIA tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2028: de in artikel V, onderdeel B, artikel VI, onderdeel B, en de artikelen VIA tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2029: de in artikel VI, onderdeel B, en de artikelen VIA tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2030: de in de artikelen VIA tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2031: de in de artikelen VIB tot en met VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2032: de in de artikelen VIC, VID en VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2033: de in de artikelen VID en VIE vermelde bedragen; bij het begin van het kalenderjaar 2034: het in artikel VIE vermelde bedrag. 1. Bij de toepassing van de artikelen 10.1, eerste lid, 10.3, tweede lid, en 10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 7, derde en vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bij het begin van het kalenderjaar 2024 worden de te vervangen bedragen niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,094941. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964. 2. Bij de toepassing van artikel 10.1, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2024 worden de te vervangen bedragen niet vermenigvuldigd met de uitkomst van de daarin opgenomen formule, maar met 1,07120575. Bij de toepassing van artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2024 met betrekking tot het in artikel 8.11, tweede lid, eerste zin, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 als tweede vermelde bedrag wordt dat bedrag berekend door het vóór toepassing van artikel I, onderdeel S, in artikel 8.11, tweede lid, eerste zin, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 als tweede vermelde bedrag te vermenigvuldigen met 1,094941 en vervolgens te verhogen met het in artikel I, onderdeel S, vermelde bedrag. Met betrekking tot een gebouw in eigen gebruik dat vóór 1 januari 2024 reeds tot het ondernemingsvermogen of resultaatvermogen van de belastingplichtige behoorde en waarop de belastingplichtige reeds vóór 1 januari 2024 heeft afgeschreven doch nog niet over drie volledige jaren heeft kunnen afschrijven, vindt de in artikel I, onderdeel H, opgenomen wijziging van artikel 3.30a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin die periode van drie volledige jaren is geëindigd. Artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 2023 en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden op 31 december 2023 blijven van toepassing op een werknemer die uiterlijk over het laatste loontijdvak van 2023 een vergoeding genoot waarop artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 2023 van toepassing was. Indien de werknemer, bedoeld in de eerste zin, op enig moment na 31 december 2023 na een onderbreking opnieuw als ingekomen werknemer wordt aangemerkt, is de eerste zin slechts tot de onderbreking van toepassing. 1. Artikel 15, elfde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2025 blijft op verzoek van de beoogde verkrijger, te doen op een door de inspecteur voorgeschreven wijze, buiten toepassing op de verkrijging, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van die wet, die voor 1 januari 2030 plaatsvindt, indien: de beoogde verkrijger en de verkoper voor 19 september 2023 om 15:15 uur de betreffende verkrijging schriftelijk zijn overeengekomen; het verzoek binnen drie maanden na 1 januari 2024 bij de inspecteur is ingediend, waarbij een afschrift van de betreffende overeenkomst is meegezonden; en op het moment van sluiten van de overeenkomst aannemelijk is dat die overeenkomst niet hoofdzakelijk tot doel heeft om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. 2. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt met betrekking tot artikelen 2.10, 2.10a en 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2024. Artikel 27a van de Wet op de accijns vindt bij het begin van het kalenderjaar 2024 geen toepassing op de bedragen, genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, tweede bedrag, onderdeel b, tweede bedrag, en onderdeel d, van die wet. Artikel 84a van de Wet op de accijns vindt geen toepassing op de in artikel XXV, onderdeel E opgenomen verhoging van de accijns. Ingeval de samenloop van wetten die in 2023 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in één of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd. 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat: artikel I, onderdelen D, O, P en Ub, terugwerkt tot en met 1 januari 2023; artikel IV, onderdeel B, toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel d, bij het begin van het kalenderjaar 2027 zijn toegepast; artikel V, onderdeel B, toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel e, bij het begin van het kalenderjaar 2028 zijn toegepast; artikel VI, onderdeel B, toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel f, bij het begin van het kalenderjaar 2029 zijn toegepast; artikel VIA toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel g, bij het begin van het kalenderjaar 2030 zijn toegepast; artikel VIB toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel h, bij het begin van het kalenderjaar 2031 zijn toegepast; artikel VIC toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel i, bij het begin van het kalenderjaar 2032 zijn toegepast; artikel VID toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel j, bij het begin van het kalenderjaar 2033 zijn toegepast; artikel VIE toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXV, onderdeel k, bij het begin van het kalenderjaar 2034 zijn toegepast; artikel XIII, onderdelen A, B, Bb, C, D, E, F, G en H, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2024; artikel XXVIII, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 juli 2023; artikel XXXII toepassing vindt voordat de artikelen II, X en XXVIII, artikel XLV, onderdeel A, en artikel LIII van het Belastingplan 2023 worden toegepast; artikel XXXIIA toepassing vindt voordat artikel XXV, onderdeel A, onder 1, 1a en 3, van de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord wordt toegepast. 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXIV in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXIII, onderdeel G, in werking met ingang van 1 juli 2024. 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXVIIIA in werking met ingang van 31 december 2025 of op een bij koninklijk besluit te bepalen eerder tijdstip. Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2024. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 36 418
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in