Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012)
This text contains several tax and procedure rules, including who must file or provide tax information, when the tax inspector may compel information, and how some payments must be made to a designated bank account.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 1 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This text contains several tax and procedure rules, including who must file or provide tax information, when the tax inspector may compel information, and how some payments must be made to a designated bank account. This provision sets when specified parts of the law start to apply and gives the law its short title.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012)
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) — segment 1
AI-assisted research summary: This text contains several tax and procedure rules, including who must file or provide tax information, when the tax inspector may compel information, and how some payments must be made to a designated bank account.
Staatsblad Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belastingplichtige door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander, of. B voordelen die worden genoten op grond van door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bij ministeriële regeling aan te wijzen mobiliteitsprojecten die worden gehouden in het kader van het project Anders betalen voor mobiliteit of die worden gehouden in het kader van het programma Beter Benutten. C D E F Doorschuiving bij overgang krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden 1. De verdeling van een huwelijksgemeenschap waartoe een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92, eerste of tweede lid, behoort binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden, wordt met betrekking tot dat vermogensbestanddeel niet als een vervreemding aangemerkt mits het vermogensbestanddeel bij de verkrijger tot een werkzaamheid blijft behoren. De verkrijger stelt het deel van het vermogensbestanddeel dat hij verkrijgt te boek op de laatste boekwaarde van dat deel van het vermogensbestanddeel bij degene van wie het is verkregen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld in artikel 3.53 alsmede voorzieningen die in overeenstemming met artikel 3.25 zijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de beide gewezen echtgenoten hier gezamenlijk voor kiezen. De keuze wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan de inspecteur van de gewezen echtgenoot bij wie een vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. 3. De artikelen 3.98a en 3.98b zijn bij een belastingplichtige van overeenkomstige toepassing op een ter beschikking gestelde schuldvordering als bedoeld in artikel 3.92, eerste of tweede lid, die voorafgaande aan de verdeling van een huwelijksgemeenschap is afgewaardeerd ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid van zijn gewezen echtgenoot. G H 1. Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige: die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder; die voortvloeien uit een door die echtgenoot schuldig gebleven vergoeding voor een legaat tegen inbreng van de waarde aan die echtgenoot op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder; die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van die ouder, of ter zake van een legitieme portie als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van de belastingplichtige die niet opeisbaar zijn op grond van artikel 81 van Boek 4 van dat wetboek of die niet opeisbaar zijn omdat de opeisbaarheid afhankelijk is van een voorwaarde of van omstandigheden als bedoeld in de artikelen 82 of 83 van Boek 4 van dat wetboek. 2. Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de in het eerste lid genoemde vorderingen. 3. Tot de bezittingen behoren niet goederen: waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder; waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van dat wetboek; waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van artikel 29 of 30 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik is gevestigd. 4. Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten. I J 9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan: een behandeling door een arts; een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus; een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. 9. Voor zover een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in het zesde lid wordt omgezet in een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste aanspraak. A 7. In afwijking van het eerste lid wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten. B 2. Indien de inspecteur met betrekking tot een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar binnen een halfjaar na het einde van dat kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is en niet bij een latere aangifte in dat jaar is hersteld, en deze tekortkoming aan de inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige is toe te rekenen, kan hij de inhoudingsplichtige, onderscheidenlijk gewezen inhoudingsplichtige, verplichten binnen de door hem gestelde termijn door middel van een jaaropgave gegevens te verstrekken van in dat kalenderjaar door de werknemer genoten loon, en de bij ministeriële regeling te bepalen andere gegevens te verstrekken welke van belang kunnen zijn voor de heffing van inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen, voor de heffing van inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de Zorgverzekeringswet, en ten behoeve van de basisregistratie inkomen, bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 3. Indien de inspecteur met betrekking tot een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar binnen vijf jaren na het einde van dat kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is, kan hij de inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige verplichten gelijktijdig met een aangifte door middel van een correctiebericht het bij ministeriële regeling te bepalen deel van de juiste en volledige gegevens te verstrekken. 5. De inhoudingsplichtige is gehouden de jaaropgave, bedoeld in het tweede lid, te verstrekken in een bij ministeriële regeling te bepalen vorm en op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze. C 4. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, vervalt door verloop van een jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de opgave had moeten worden verstrekt. Ca 9. Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel 13, zesde lid, de ingevolge artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, in aanmerking te nemen waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan zijn werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld. D A 2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is in het geval waarin de inhoudingsplichtige niet tevens is het bedrijf dat of de organisatie die bevoegd als bedoeld in artikel 7.2.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs de beroepspraktijkvorming verzorgt, slechts van toepassing indien er tussen de inhoudingsplichtige en dat bedrijf of die organisatie een overeenkomst van opdracht is gesloten die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. B A Ultra Centrifuge Nederland N.V.;. B lichamen welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verrichten welke bestaan uit:. het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen;. het bieden van een passende werkzaamheid aan mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking; dan wel. C bij een algemeen nut beogende instelling en bij een lichaam dat een sociaal belang behartigt en de winst hoofdzakelijk behaalt met behulp van arbeid die door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is, wordt verricht (vrijwilligers): de kosten die met betrekking tot vrijwilligers aftrekbaar zouden zijn indien hun beloning plaats zou vinden op basis van het minimumloon, verminderd met de werkelijke kosten. 4. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, komen slechts in aftrek indien het lichaam deze in zijn administratie heeft gespecificeerd naar de in dat onderdeel bedoelde personen onder opgave van hun naam, adres, woonplaats en de daadwerkelijk aan hen verstrekte beloningen. 6. Bij ministeriële regeling kunnen ter voorkoming van concurrentieverstoring, lichamen, groepen lichamen of activiteiten worden uitgezonderd van de toepassing van het eerste lid, onderdeel h. D 1. Bij het bepalen van de winst komen mede in aftrek: bij een algemeen nut beogende instelling: een bedrag ter grootte van de winst behaald met kenbaar fondswervende activiteiten; bij een fondswerver: de uitkeringen aan een algemeen nut beogende instelling. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: activiteiten die in belangrijke mate met behulp van vrijwilligers worden verricht en die bestaan uit het verkopen van roerende zaken of het leveren van diensten tegen een prijs die meer bedraagt dan de prijs die doorgaans in het economische verkeer als zakelijk wordt ervaren, en waarbij naar de koper van de zaak of de afnemer van de dienst kenbaar is gemaakt dat de opbrengst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten goede komt aan een algemeen nut beogende instelling; activiteiten die in belangrijke mate met behulp van vrijwilligers worden verricht en die bestaan uit het verkopen van roerende zaken of het leveren van diensten tegen een prijs die doorgaans in het economische verkeer als zakelijk wordt ervaren, doch waarvan de kostprijs aanmerkelijk lager is dan in het economische verkeer gebruikelijk is omdat voor de vervaardiging van de zaak of de levering van de dienst vrijwilligers hun arbeid ter beschikking stellen en naar de koper van de zaak of de afnemer van de dienst kenbaar is gemaakt dat de opbrengst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten goede komt aan een algemeen nut beogende instelling; of activiteiten die bestaan uit het inzamelen van roerende zaken om niet en waarbij naar degenen die de zaken afstaan kenbaar is gemaakt dat de opbrengst van het ingezamelde uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten goede komt aan een algemeen nut beogende instelling; een lichaam dat uitsluitend kenbaar fondswervende activiteiten verricht. 3. De uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden slechts in aanmerking genomen indien: de fondswerver zich statutair of ingevolge overeenkomst uiterlijk bij aanvang van de kenbaar fondswervende activiteiten heeft verplicht de opbrengst geheel of nagenoeg geheel uit te keren, en de uitkeringen zijn gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verworven. Op verzoek worden de in de eerste volzin, onderdeel b, bedoelde uitkeringen reeds in aanmerking genomen in het boekjaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verworven. 4. Indien de berekening van de winst door de aftrek van het eerste lid, onderdeel b, zou leiden tot een negatief bedrag, blijft de aftrek beperkt tot een zodanig bedrag dat geen negatief bedrag ontstaat. Indien vóór het in aanmerking nemen van de aftrek van het eerste lid, onderdeel b, de berekening van de winst reeds leidt tot een negatief bedrag, vindt die aftrek geen toepassing. E 1. De inspecteur herziet een voorlopige aanslag op verzoek voor zover die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. 2. Ingeval een verzoek om herziening geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij de termijn voor het instellen van bezwaar eindigt op de dag van de dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. 3. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar. 4. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van een bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid. 5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel de betalingskorting, bedoeld in artikel 27a van de Invorderingswet 1990, alsmede de belastingrente, bedoeld in Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de voorlopige aanslag. A B 3. Indien voor de erfbelasting de aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van die belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen niet, onjuist of onvolledig is gedaan, vervalt, in afwijking van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet. C 1. Executeurs van nalatenschappen zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden. 3. Desgevraagd verstrekt de Belastingdienst de erfgenaam inzage in de voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang zijnde stukken. 7. Indien het eerste, tweede, derde en vijfde lid geen toepassing kunnen vinden, is de verzekeraar die niet in een lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte woont of is gevestigd gehouden een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen die in Nederland woont of gevestigd is. De belasting wordt in dat geval geheven van die fiscaal vertegenwoordiger. A B 3. Het tweede lid is niet van toepassing en de intracommunautaire verwerving van goederen wordt geacht overeenkomstig het eerste lid aan de heffing te zijn onderworpen indien: de afnemer aantoont de verwerving te hebben verricht met het oog op een daaropvolgende levering binnen het grondgebied van de overeenkomstig het eerste lid bepaalde lidstaat, waarvoor degene voor wie deze levering bestemd is, overeenkomstig artikel 197 van BTW-richtlijn 2006 is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon; en de afnemer heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 37a. C D aan wie in een andere lidstaat goederen zijn geleverd in aansluiting op de ingevolge artikel 17b, derde lid, in die lidstaat door de ondernemer verrichte intracommunautaire verwervingen;. A B Ba C 1. Indien voor een gebruikt geregistreerd motorrijtuig de belasting is verschuldigd ingevolge artikel 1, derde lid, wordt, in afwijking van artikel 10, tweede lid, de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde lid. 2. Ingeval voor een motorrijtuig waarvoor de belasting is verschuldigd ingevolge artikel 1, derde lid, de belasting al eerder is betaald, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen, de verschuldigde belasting verminderd met een bedrag ter zake van de eerder betaalde belasting. 3. Indien een niet geregistreerd motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het de hoedanigheid verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto, terwijl voor dat motorrijtuig de belasting al eerder is betaald, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen, de ingevolge artikel 1, zesde lid, voor dat motorrijtuig verschuldigde belasting verminderd met een bedrag ter zake van de eerder betaalde belasting. 4. De vermindering, bedoeld in het tweede en derde lid, bedraagt ten hoogste het bedrag van de verschuldigde belasting. De vermindering wordt voor een gebruikt motorrijtuig berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 14a, vierde lid. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. D E F 1. Voor een motorrijtuig dat is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en dat voor een periode van ten hoogste vier jaren wordt verhuurd aan een inwoner van Nederland door een in die andere staat gevestigde ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op verzoek de ingevolge artikel 1, zesde lid, te betalen belasting op voorhand verrekend met de teruggaaf die op de voet van artikel 14a kan worden verleend als het motorrijtuig na afloop van de overeengekomen huurperiode weer buiten Nederland wordt gebracht. 2. Ingeval op een later tijdstip een andere huurperiode voor het motorrijtuig wordt overeengekomen dan de eerder overeengekomen huurperiode, wordt het te verrekenen bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig herzien, met dien verstande dat bij een verkorting van de huurperiode het teveel betaalde gedeelte van de verschuldigde belasting op verzoek wordt teruggegeven, en bij een verlenging van de huurperiode de teveel verrekende belasting op aangifte wordt voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop de andere huurperiode is overeengekomen. 3. Indien voor een motorrijtuig niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor de verrekening, wordt het te verrekenen bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, herzien, met dien verstande dat het volledige door de verrekening nog niet betaalde gedeelte van de verschuldigde belasting op aangifte wordt voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden en beperkingen voor de verrekening wordt voldaan. De eerste volzin is mede van toepassing ingeval door een verandering van de overeengekomen huurperiode als bedoeld in het tweede lid, de totale overeengekomen huurperiode meer bedraagt dan vier jaren. 4. Indien de overeengekomen huurperiode wordt gewijzigd, dan wel niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor de verrekening, wordt dit door de huurder van het motorrijtuig onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de inspecteur. 5. Het te verrekenen bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, dan wel het terug te geven bedrag ingevolge het tweede lid, wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. 6. De verrekening van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, dan wel een herziening van deze verrekening ingevolge het tweede of derde lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een teruggaaf ingevolge artikel 14a, respectievelijk als een herziening van deze teruggaaf. 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. G H I A 1. Onder de naam «motorrijtuigenbelasting» wordt een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een vrachtauto of een autobus. B C D E F G H I J K L M N O P Tarief autobus 1. Voor een autobus bedraagt de belasting: bij een eigen massa in kilogrammen van over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met per 100 kg eigen massa boven 1 000 of minder € 25,28 1 100 tot en met 2 600 € 28,52 € 3,25 1 100 kg 2 700 en meer € 79,98 € 1,05 2 700 kg 2. De belasting bedraagt nihil voor een autobus die hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het openbaar vervoer, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000, en die is bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 26, zesde lid, van de Wet op de accijns of aan aardgas. Q R S 2. Bedragen van € 5 en minder worden niet geheven. T U V W X Y Z AA BB CC DD EE A B C Ca D E F G H een hogere prijs dan die is vermeld op de accijnszegels. A 3811;. B 2. Onverminderd het eerste lid worden minerale oliën van GN-code 3811 voor de toepassing van het tarief gelijkgesteld met de motorbrandstof waaraan zij bestemd zijn te worden toegevoegd. 6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op minerale oliën van GN-code 3811 die aan meer dan een soort motorbrandstof kunnen worden toegevoegd. C minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt als brandstof voor verwarming, als motorbrandstof of als additief in motorbrandstoffen;. A B 1. In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kunnen belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen worden gehouden de inspecteur eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen die hun bekend zijn of zijn geworden. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop mededeling als bedoeld in het eerste lid gedaan moet worden. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan het niet nakomen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting worden aangemerkt als een overtreding. Indien het niet nakomen van die verplichting is te wijten aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting niet is of zou zijn geheven. C 1. In afwijking van artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd, indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. 2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, welke later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht. 3. Het rapport, bedoeld in artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht, vermeldt tevens waaruit de nieuwe bezwaren bestaan. 4. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete. 5. Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van gelijktijdigheid, bedoeld in de artikelen 67d, eerste lid, 67e, eerste lid, en 67f, derde lid, voor zover nodig. A B 1. In afwijking van artikel 4:89, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt uitbetaling aan de belastingschuldige van inkomstenbelasting en omzetbelasting uitsluitend plaats op een daartoe door de belastingschuldige bestemde bankrekening die op naam staat van de belastingschuldige. De belastingschuldige kan niet meer dan één bankrekening bestemmen voor de uitbetaling van inkomstenbelasting en voor de in artikel 25 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bedoelde uitbetaling van de hem toekomende voorschotten en tegemoetkomingen. C 1. Op eerste vordering van ambtenaren van de rijksbelastingdienst of van opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat te doen stilstaan teneinde de tenuitvoerlegging van een dwangbevel te doen plaatsvinden. De bestuurder van het motorrijtuig is verplicht de daartoe door de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren gegeven aanwijzingen op te volgen. 2. De tenuitvoerlegging van een dwangbevel op de voet van het eerste lid en de daaraan voorafgaande betekening van het hernieuwde bevel tot betaling kunnen, in afwijking van de artikelen 64, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 438b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geschieden op alle dagen en uren. 3. In afwijking van artikel 14, eerste lid, kan een hernieuwd bevel tot betaling ook worden betekend aan de bestuurder van het motorrijtuig, bedoeld in het eerste lid. 4. In afwijking van artikel 434 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan machtiging van de belastingdeurwaarder ook plaatsvinden door middel van het beschikbaar stellen van de gegevens van een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging op de voet van het eerste lid dient plaats te vinden. 5. Ingeval de schuld waarvoor op de voet van het eerste lid beslag is gelegd een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag te boven gaat, wordt voor de toepassing van artikel 446 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in elk geval aangenomen dat het voor het behoud van de op de voet van het eerste lid in executoriaal beslag genomen zaken redelijkerwijze noodzakelijk is dat deze zaken in gerechtelijke bewaring worden gegeven. D E die belasting hoger is dan de belasting die zou zijn geheven ter zake van de hiervoor bedoelde omstandigheid indien de belastingschuldige op het moment waarop die omstandigheid zich voordeed in Nederland zou hebben gewoond; de omstandigheid die ingevolge artikel 25, vijfde lid, vierde volzin, tot beëindiging van het uitstel van betaling heeft geleid, ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet belastbaar is in Nederland. voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25, achtste lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van die vervreemding in Nederland zou hebben gewoond. 6. Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25, zesde lid, verleende uitstel van betaling beëindigt, kan volgens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25, zesde lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van de omstandigheid op grond waarvan het uitstel van betaling wordt beëindigd, in Nederland zou hebben gewoond. F Fa 2. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet voor zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. A 3. Bij overlijden van de belanghebbende wordt, indien hij geen partner heeft en er geen sprake is van een medebewoner, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid het toetsingsinkomen berekend door het op grond van die leden bepaalde toetsingsinkomen tijdsevenredig te herleiden naar een jaarinkomen. B 3. Indien op het moment van de toekenning van een tegemoetkoming ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en van die persoon ook geen beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen is of wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming toe als ware het toetsingsinkomen van die persoon nihil. De inspecteur stelt bij beschikking vast dat op het moment van de toekenning van de tegemoetkoming van die persoon geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en van die persoon ook geen beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen is of wordt vastgesteld. Deze beschikking wordt aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en vervat in hetzelfde geschrift als de toekenning van de tegemoetkoming. C D E Wijze van uitbetalen 1. In afwijking van artikel 4:89, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt uitbetaling aan de belanghebbende van een voorschot of een tegemoetkoming door de Belastingdienst/Toeslagen uitsluitend plaats op een daartoe door de belanghebbende bestemde bankrekening die op naam staat van de belanghebbende. De belanghebbende kan niet meer dan één bankrekening bestemmen voor de uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming en voor de uitbetaling van inkomstenbelasting. 2. Indien de belanghebbende geen bankrekening heeft bestemd voor uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming aan de belanghebbende, vindt uitbetaling door de Belastingdienst/Toeslagen plaats met overeenkomstige toepassing van artikel 7a, tweede lid, van de Invorderingswet 1990. 3. In door Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat bij of krachtens ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan worden afgeweken van het eerste en tweede lid. Daarbij worden regels gesteld met betrekking tot de bestemming van een andere bankrekening voor de uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming. Ea 2. Een derde aan wie op grond van artikel 25, derde lid, een voorschot of een tegemoetkoming is uitbetaald, is hoofdelijk aansprakelijk voor een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering voor zover dat bedrag kan worden toegerekend aan de aan die derde uitbetaalde bedragen. Voor zover een terugvordering voortvloeit uit de toepassing van artikel 24, wordt het bedrag waarvoor de derde aansprakelijk is, bepaald op het gedeelte van de terugvordering dat in dezelfde verhouding staat tot het bedrag van de terugvordering als de aan de derde over het berekeningsjaar uitbetaalde voorschotten in verhouding staan tot het totale bedrag van de over het berekeningsjaar uitbetaalde voorschotten. F 3. Een bezwaar tegen de toekenning van een tegemoetkoming wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in artikel 14, derde lid, die is vervat in hetzelfde geschrift. 4. Een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning van een tegemoetkoming die is vervat in hetzelfde geschrift. G H I Indexatie boetebedragen 1. De in de artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste lid, genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het eerst plaats per 1 januari 2015. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de factoren van de laatste vijf kalenderjaren. 2. De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot overtredingen die hebben plaatsgevonden na het begin van het kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd. J A het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;. het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;. B de oplevering van een nieuw gebouw of van een nieuw gedeelte van een gebouw door degene die dat gebouw of dat gedeelte van een gebouw heeft vervaardigd. Ba 1. Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager. 2. Indien van een overgang als bedoeld in het tweede lid deel uitmaakt de levering van goederen die de overdrager als producent heeft voortgebracht, worden deze goederen voor de overdrager geacht te zijn belast als bedoeld in artikel 6.3, aanhef en slot. 3. Degene op wie de goederen overgaan als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de volgende levering van goederen, die door de overdrager als producent zijn voortgebracht, aangemerkt als producent van die goederen en voor zover van toepassing als vervaardiger van die goederen in de zin van artikel 6.4, eerste lid. C 6 percent ter zake van het verrichten van diensten, en in uitzondering daarop, 7 percent ter zake van verzekeringen;. D 1. In afwijking van artikel 6.10, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, bedraagt in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba: de in dat eerste lid bedoelde belasting: 6 percent; de in dat tweede lid, onderdeel a, bedoelde belasting: 4 percent en in uitzondering daarop, 5 percent ter zake van verzekeringen; de in dat tweede lid, onderdeel b, bedoelde belasting 18, 22 of 30 percent, berekend aan de hand van de volgende tabel: Bij een vergoeding voor de auto van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting in kolom III vermelde bedrag dat wordt vermeerderd met het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV USD 20 000 18 percent USD 20 000 USD 30 000 USD 3 600 22 percent USD 30 000 USD 5 800 30 percent 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel c, geldt voor het in dat onderdeel opgenomen percentage van 18 voor niet gebruikte personenauto’s een percentage van 10 en gelden voor de in de derde kolom opgenomen bedragen van USD 3 600 en USD 5 800 bedragen van USD 2 000 en USD 4 200. E leveringen van goederen en het verrichten van diensten voor projecten voor zover die in het kader van onderlinge hulp voor rekening van Aruba, Curaçao of Sint Maarten komen, dan wel in het kader van ontwikkelingshulp voor rekening van internationale organisaties komen. Ea 3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt voor accijnsgoederen in de zin van hoofdstuk 4 van de Douane- en Accijnswet BES als invoer van goederen aangemerkt: uitslag in de zin van artikel 4.4 van de Douane- en Accijnswet BES; invoer in de zin van artikel 4.5 van de Douane- en Accijnswet BES. F 1. In afwijking van artikel 6.19, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, bedraagt in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba: de in dat eerste lid bedoelde belasting: 6 percent; de in dat tweede lid, onderdeel b, bedoelde belasting 18, 22 of 30 percent, berekend aan de hand van de volgende tabel: Bij een douanewaarde voor de auto van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting in kolom III vermelde bedrag dat wordt vermeerderd met het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV USD 20 000 18 percent USD 20 000 USD 30 000 USD 3 600 22 percent USD 30 000 USD 5 800 30 percent 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor het in dat onderdeel opgenomen percentage van 18 voor niet gebruikte personenauto’s een percentage van 10 en gelden voor de in de derde kolom opgenomen bedragen van USD 3 600 en USD 5 800 bedragen van USD 2 000 en USD 4 200. Fa Fb Fc Fd Fe Verzuim indienen jaarrekening 1. Indien een lichaam dat op grond van artikel 5.10 gehouden is een jaarrekening in te dienen de jaarrekening niet of niet tijdig indient, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 14 000 kan opleggen. 2. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de jaarrekening, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, had moeten worden ingediend. Ff Fg G Ga Gb H I J K Behandeling door een enkelvoudige en een meervoudige kamer 1. Zaken die bij het Gerecht in eerste aanleg aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer. 2. De enkelvoudige kamer kan een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen. 3. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt. Gelijke toepassing voorschriften en bevoegdheden 1. De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn op de behandeling zowel door een enkelvoudige als door een meervoudige kamer van toepassing. 2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft. L Vereenvoudigde behandeling Het Gerecht in eerste aanleg kan onmiddellijk uitspraak doen indien een nader onderzoek het Gerecht niet nodig voorkomt, omdat: het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is; het beroep kennelijk ongegrond is; het beroep kennelijk gegrond is, of de inspecteur kennelijk aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet is gekomen. Verzet 1. Tegen de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg. Artikel 8.103 is van overeenkomstige toepassing. 2. Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, kan het Gerecht in eerste aanleg de partij die het verzet deed in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet ongegrond is, dan gaat het niet tot ongegrondverklaring over dan na de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. 3. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen. M Hoger beroep Hoger beroep 1. Partijen kunnen bij het Hof hoger beroep instellen tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg als bedoeld in de artikelen 8.112 en 8.113. 2. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 8.116. 3. De partij die hoger beroep instelt, wordt aangeduid als appellant in hoger beroep, de wederpartij als verweerder in hoger beroep. Overeenkomstige toepassing Op het hoger beroep zijn de artikelen van afdeling 3, met uitzondering van de artikelen 8.102a en 8.102b, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald. Griffierecht 1. Van de indiener van het beroepschrift in hoger beroep wordt ten behoeve van ’s Rijks schatkist een griffierecht geheven ten bedrage van USD 60. 2. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient te zijn betaald aan het Hof. 3. Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. 4. Indien het Hof het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vergoedt de inspecteur het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht. Strekking uitspraak 1. Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, hetzij met overneming hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak, hetgeen het Gerecht in eerste aanleg had behoren te doen. 2. Wanneer het Gerecht in eerste aanleg de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een ontvankelijkverklaring, wordt de zaak terugverwezen naar het Gerecht in eerste aanleg om te worden hervat in de stand waarin de behandeling zich bevond. Tegen de nieuwe uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg staat hoger beroep open overeenkomstig deze afdeling. 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan het Hof de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door het Gerecht in eerste aanleg behoeft. N O A 2. Bij het instellen van beroep bij het Gerecht in eerste aanleg zijn de bepalingen van hoofdstuk VIII, titel 8, afdeling 3, van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing. B A 7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, komt een niet op de BES eilanden woonachtige belastingplichtige die een uit de BES eilanden afkomstige pensioenuitkering geniet die op grond van de voor de BES eilanden geldende fiscale regels wordt belast, in aanmerking voor de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, genoemde belastingvrije som, met dien verstande dat de belastingvrije som die deze belastingplichtige in aanmerking mag nemen maximaal wordt gesteld op het bedrag van de pensioenuitkering dat volgens de fiscale regels van de BES eilanden mag worden belast. B C Voor de toepassing van de tweede volzin wordt onder prijsindexcijfers verstaan het aan de hand van het aantal inwoners gewogen gemiddelde van de prijsindexcijfers voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor de toepassing van de derde volzin wordt het aantal inwoners van Bonaire gesteld op 15 700, het aantal inwoners van Sint Eustatius op 2 886 en het aantal inwoners van Saba op 1 737. Artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES vindt op 1 januari 2012 geen toepassing. 0A degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting BES heeft. 0aA A de verplichte bijdragen voor pensioenen en aan pensioenfondsen die worden verrekend met de aan de werknemer, gewezen werknemer, zijn echtgenoot, zijn gewezen echtgenoot, zijn kinderen of pleegkinderen als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel a, toekomende pensioenuitkeringen. B A 4. Vanaf 1 januari 2013 wordt bij het begin van het kalenderjaar het aantal opcenten, genoemd in het tweede lid, bij ministeriële regeling van Onze Minister van Financiën vervangen door een ander aantal. Dit aantal wordt berekend door het te vervangen aantal te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, en de uitkomst, indien deze twee of meer decimalen telt, af te ronden op één decimaal. Indien het aantal opcenten in het voorafgaande jaar is afgerond, wordt de tabelcorrectiefactor toegepast op het niet afgeronde bedrag van het voorgaande jaar. B A B A waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander, of. B 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012, met dien verstande dat: de voorwaarden die ingevolge de wijzigingen van artikel III, onderdeel A, worden gesteld aan de in artikel 14, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen bedoelde overeenkomst, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot overeenkomsten die ingaan op of na 1 januari 2012; de wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdelen B, C, D en E, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012; artikel 30, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zoals dat luidde op 31 december 2011, van toepassing blijft met betrekking tot de in die bepaling bedoelde intracommunautaire verwervingen die zijn verricht vóór 1 januari 2012; de wijziging ingevolge artikel XIII, onderdeel A, onder 1, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2012; de wijziging ingevolge artikel XIII, onderdeel A, onder 2, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2010, waarbij voor het berekeningsjaar dat is aangevangen op 1 januari 2010 «derde lid (nieuw)» wordt gelezen als: vijfde lid. de wijzigingen ingevolge artikel XIII, onderdelen B, D en F, gelden voor de tegemoetkomingen met betrekking tot de berekeningsjaren die zijn aangevangen of aanvangen op of na 1 januari 2006 voor zover die tegemoetkomingen op 1 januari 2012 nog niet zijn toegekend, waarbij voor de toepassing van artikel 14, derde lid, van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor de berekeningsjaren 2006 en 2007 voor de zinsnede «geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, is opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en van die persoon ook geen beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen is of wordt vastgesteld» telkens moet worden gelezen: geen toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zoals dit artikel luidde op 1 januari van het berekeningsjaar is; zaken die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel XIV, onderdelen A, G, H, I, J, K, L, M en N, en artikel XV, onderdeel A, aanhangig waren bij de Raad van Beroep voor belastingzaken van rechtswege over gaan naar het Gerecht in eerste aanleg; de wijzigingen ingevolge artikel XIV, onderdelen Fe en Fg, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot feiten die zijn begaan op of na 1 januari 2012. 2. Artikel Ia, onderdeel 1, werkt terug tot en met 1 januari 2001. 3. Artikel Ia, onderdeel 2, werkt terug tot en met 1 januari 2008. 4. Artikel IV, onderdeel A, werkt terug tot en met 26 november 2009. 5. Artikel X, onderdeel Ca, werkt terug tot en met 1 april 2010. 6. Artikel XIII, onderdeel J, werkt terug tot en met 1 mei 2010. 7. Artikel I, onderdeel I, artikel V, onderdeel A, artikel XIV, onderdelen B, E, Fa, Fd, Ff en Ga, artikel XVI, onderdelen A en C, en artikel XVIII, onderdeel B, werken terug tot en met 1 januari 2011. 8. Artikel XIIIa werkt terug tot en met 1 juli 2011. 9. Artikel XIV, onderdelen C, D en F, artikel XV, onderdeel B, en artikel XVIII, onderdeel A, werken, met uitzondering van de in artikel XIV, onderdelen D en F, opgenomen wijzigingen van de tarieven voor de levering en de invoer van auto’s, terug tot en met 1 oktober 2011, met dien verstande dat de wijzigingen van de tarieven ter zake van verzekeringen bij verzekeringen waarbij de laatste prolongatiedatum of datum van stilzwijgende verlenging, of bij afwezigheid van die datum de ingangsdatum van de verzekering voor 1 oktober 2011 ligt, van toepassing zijn op de premies die na 30 september 2011 vervallen. 10. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIII, onderdelen G, H en I, in werking met ingang van 1 juli 2012, met dien verstande dat de verhoogde boetes voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot overtredingen die hebben plaatsgevonden vanaf 1 juli 2012. 11. - document.segment-2 Verify source ↗
Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) — segment 2
AI-assisted research summary: This provision sets when specified parts of the law start to apply and gives the law its short title.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIII, onderdeel C, in werking met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat de wijziging ingevolge dit onderdeel voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2012. 12. In afwijking van het eerste lid treden artikel XI, onderdeel A, artikel XII, onderdelen B en F, artikel XIII, onderdelen E en Ea, artikel XIV, onderdelen A, G, Gb, onder 1, H, I, J, K, L, M en N, en artikel XV, onderdeel A, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2012. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 33 004
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in