Wet van 21 december 2022, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2023)
This text sets rules on tax interest, ministerial rule-making, a minister’s handling of certain treaty-based requests, reporting to Parliament, payment deferral rules, and the law’s commencement.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 27 Dec 2022
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 21 december 2022, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2023)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 21 december 2022, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2023)
AI-assisted research summary: This text sets rules on tax interest, ministerial rule-making, a minister’s handling of certain treaty-based requests, reporting to Parliament, payment deferral rules, and the law’s commencement.
Staatsblad Wet van 21 december 2022, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2023) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop die bloed- of aanverwant de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn;. B deze natuurlijk persoon of dat lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. C D 4. Voor de toepassing van dit artikel en voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep ten aanzien van de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het derde lid, wordt een voor bezwaar vatbare beschikking waarvan het bedrag op het aanslagbiljet van de belastingaanslag is vermeld of ingevolge het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift behoort te worden vermeld geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. A B C D E 3. In afwijking in zoverre van het eerste lid kunnen aanspraken als bedoeld in dat lid mede worden uitgevoerd door een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdelen b en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001. A deze natuurlijk persoon of dat lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. B A B C D deze natuurlijk persoon of dit lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. E F G H A 2. Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt de voor bezwaar vatbare beschikking voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. 4. In afwijking van hetgeen in andere wetten is bepaald, is het tweede lid niet van toepassing op andere belastingen dan rijksbelastingen. B C D E 3. Ingeval een naheffingsaanslag ter zake van loonbelasting, dividendbelasting, bronbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken of een in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belasting is vastgesteld overeenkomstig een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend, in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 10 weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Het verzoek wordt op een door de inspecteur aangegeven wijze ingediend. 7. Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt onder een verzoek onder meer verstaan een herziening van een aangifte (suppletie) en een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964. F 1. Voor zover gedurende het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend het te betalen bedrag aan belasting reeds is geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen, kan de inspecteur de belastingrente die over dat gedeelte van het tijdvak in rekening wordt gebracht verminderen naar evenredigheid van het reeds geheven, dan wel voldane of afgedragen bedrag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de belastingrente die in rekening wordt gebracht over de periode vanaf de dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag ter zake waarvan de belastingrente wordt berekend. 3. Het eerste lid is voorts niet van toepassing voor zover het te betalen bedrag aan belasting bestaat uit loonbelasting of omzetbelasting. 4. Bij ministeriële regeling kunnen: situaties worden aangewezen waarin het te betalen bedrag aan belasting geacht wordt reeds te zijn geheven, dan wel op aangifte te zijn voldaan of afgedragen; situaties worden aangewezen waarin het derde lid geen toepassing vindt; nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid; regels worden gesteld op grond waarvan toepassing van het eerste lid om doelmatigheidsredenen achterwege blijft. G H Onze Minister neemt bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V een besluit tot afwijzing van een verzoek dat is gedaan ingevolge het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting in welk verzoek een onderneming of persoon als bedoeld in die verdragen die van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten voor haar, onderscheidenlijk hem, leiden of zullen leiden tot belastingheffing die niet in overeenstemming is met het betreffende verdrag Onze Minister verzoekt om in onderling overleg te treden met de bevoegde autoriteit van een andere staat. 3. Ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld overeenkomstig een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend, in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 10 weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Het verzoek wordt op een door de inspecteur aangegeven wijze ingediend. A B 21. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten minste vijf jaar, voor zover het binnen de geldende betalingstermijn moeten betalen van een belastingaanslag die is opgelegd aan een natuurlijk persoon leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. C D E Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de in artikel XII, onderdelen B en D, van deze wet opgenomen wijzigingen van de artikelen 25 en 28 van de Invorderingswet 1990 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wijzigingen in de praktijk. A aan de staat of een openbaar lichaam, alsmede aan een naamloze vennootschap of besloten vennootschap waarvan alle aandelen al dan niet middellijk toebehoren aan de staat of een openbaar lichaam, mits het lichaam dat de onroerende zaak of het schip, direct dan wel indirect, verkrijgt, schriftelijk verklaart de onroerende zaak, onderscheidenlijk het schip, niet op een zodanige wijze te gaan gebruiken dat daarmee in concurrentie wordt getreden met belastingplichtigen die winst beogen, met dien verstande dat indien de onroerende zaak, onderscheidenlijk het schip, binnen vijf jaar na verkrijging alsnog op een zodanige wijze gebruikt gaat worden dat daarmee wel in concurrentie wordt getreden met belastingplichtigen die winst beogen, de belasting alsnog is verschuldigd zodra sprake is van het in concurrentie treden met belastingplichtigen die winst beogen; B A B 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat: artikel XII, onderdeel E, terugwerkt tot en met 1 juli 2009; artikel I, onderdeel A, onder 2, en artikel II, onderdeel E, terugwerken tot en met 1 januari 2017; de artikelen VI, tweede zin, VII, tweede zin, en VIII, tweede zin, terugwerken tot en met 1 juli 2021; artikel X, onderdeel F, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingaanslagen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet onherroepelijk vaststaan; artikel X, onderdeel H, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot besluiten waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of na 1 januari 2023; artikel I, onderdelen C en D, en artikel X, onderdelen A, B, C en D, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot aanslagbiljetten waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of na 1 januari 2023; artikel III, onderdeel A, en artikel IV, onderdeel E, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2023; artikel 27, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat luidde op 31 december 2022 van toepassing blijft op voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting die betrekking hebben op belastingschulden over een tijdvak dat vóór 1 januari 2023 is aangevangen. 2. In afwijking van het eerste lid, treden artikel X, onderdeel G, en artikel XI in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Deze wet wordt aangehaald als: Fiscale verzamelwet 2023. Lasten en bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 36 107
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 21 december 2022, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2023)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in