Wet van 30 oktober 1997 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (aanpassing belastingheffing met betrekking tot tijdelijke genotsrechten)
Verify source ↗ AI-assisted research summary: This Act amends the Dutch Income Tax Act 1964 for temporary rights to benefits, sets a 4.8% income rule in certain cases, allows time-based adjustment, and gives the Act retroactive effect in one specified situation.
Aanhef Lichaam ARTIKEL I ARTIKEL II Ondertekening Wet van 30 oktober 1997 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (aanpassing belastingheffing met betrekking tot tijdelijke genotsrechten) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling in de inkomstenbelasting met betrekking tot tijdelijke genotsrechten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht. A. In artikel 25 , zestiende lid, onderdeel a, wordt na «roerende zaak» ingevoegd: of tot voordelen uit een tot het vermogen van een belastingplichtige behorend recht dat niet op zaken betrekking heeft. B.1. In artikel 25a wordt het eerste lid vervangen door: 1. Indien een ander dan de belastingplichtige anders dan krachtens wettelijk vruchtgenot tijdelijk is gerechtigd tot voordelen uit een tot het vermogen van de belastingplichtige behorend recht dat niet op zaken betrekking heeft, of op enig moment gerechtigd is geweest tot zodanige voordelen en deze voordelen geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin dat recht behoort tot het vermogen van de belastingplichtige, behoort bij de belastingplichtige mede tot de inkomsten uit vermogen 4,8 percent van de waarde van het recht. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover de aldaar bedoelde gerechtigdheid is ontstaan: a. krachtens erfrecht en het recht behoort tot het vermogen van de verkrijger krachtens erfrecht of van zijn rechtsopvolger krachtens erfrecht; b. na verkrijging van het recht door de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger krachtens erfrecht en op het moment van het ontstaan van de gerechtigdheid het recht geen deel uitmaakte van het vermogen van een onderneming. B.2. In het tweede lid wordt aan de eerste volzin voor de punt aan het slot toegevoegd: of op enig moment gerechtigd is geweest tot zodanige voordelen en deze voordelen geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin dat recht behoort tot het vermogen van de belastingplichtige. B.3. Het derde lid wordt vervangen door: 3. Indien ter zake van een recht dat niet op zaken betrekking heeft het eerste lid van toepassing is, wordt ingeval een zodanig recht niet gedurende het gehele kalenderjaar heeft behoord tot het vermogen van de belastingplichtige, het percentage van 4,8 naar tijdsgelang vastgesteld, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd. B.4. Na het vierde lid wordt toegevoegd: 5. De op de voet van het eerste lid, in samenhang met het derde lid, bepaalde inkomsten worden, ingeval de belastingplichtige aantoont dat die inkomsten in belangrijke mate meer bedragen dan hetgeen bij hem in het kalenderjaar aan waardevermeerdering opkomt ten gevolge van het verstrijken van de periode van de aldaar bedoelde gerechtigdheid of ten gevolge van de omstandigheid dat een ander op enig moment gerechtigd is geweest tot voordelen die geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin dat recht behoort tot het vermogen van de belastingplichtige, verminderd tot die waardevermeerdering. C. In artikel 25b , eerste lid, eerste volzin, wordt na «onroerende of roerende zaak,» ingevoegd: of op enig moment gerechtigd is geweest tot zodanige voordelen en deze voordelen geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin die zaak behoort tot het vermogen van de belastingplichtige,. Voorts wordt na «gerechtigdheid van die ander» ingevoegd: of ten gevolge van de omstandigheid dat die ander op enig moment gerechtigd is geweest tot voordelen die geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin die zaak behoort tot het vermogen van de belastingplichtige. ARTIKEL II Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij terugwerkt tot en met 6 februari 1997 met betrekking tot rechten als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, ingeval de aldaar bedoelde omstandigheid dat een ander dan de belastingplichtige op enig moment gerechtigd is geweest tot voordelen uit die rechten, is ontstaan op of na die datum. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. histnoot Gegeven te 's-Gravenhage, 30 oktober 1997 Beatrix De Staatssecretaris van Financiën, W. A. F. G. Vermeend Uitgegeven de dertiende november 1997 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager X Noot 1 Stb. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510. X Histnoot Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Kamerstukken II 1996/97, 25 224. Handelingen II 1997/98, blz. 341. Kamerstukken I 1997/98, 25 224 (20, 20a). Handelingen I 1997/98, zie vergadering d.d. 28 oktober 1997.