Beschikking van de Minister van Justitie van 22 mei 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616
This provision places the text of the Temporary Social Renewal Promotion Act in the Staatsblad and sets rules for municipal spending, reporting, ministerial oversight, and funding adjustments.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 12 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This provision places the text of the Temporary Social Renewal Promotion Act in the Staatsblad and sets rules for municipal spending, reporting, ministerial oversight, and funding adjustments. The provision sets out publication, renumbering, commencement, partial retroactive effect, expiry, and repeal timing for the law.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Beschikking van de Minister van Justitie van 22 mei 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Beschikking van de Minister van Justitie van 22 mei 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616 — segment 1
AI-assisted research summary: This provision places the text of the Temporary Social Renewal Promotion Act in the Staatsblad and sets rules for municipal spending, reporting, ministerial oversight, and funding adjustments.
Staatsblad Beschikking van de Minister van Justitie van 22 mei 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616 Gelet op de artikelen 36 en 37 van de wet van 16 december 1993, Stb. 682; de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. Begripsomschrijvingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; b. sociale vernieuwing: de gezamenlijke inspanning van de gemeenten, de provincies, het Rijk, andere overheden, organisaties en individuen op de terreinen arbeid, scholing en inkomen, woon- en leefomgeving, opvang en hulpverlening, alsmede onderwijs die tot doel heeft door een samenhangende aanpak van de maatschappelijke achterstand die mensen hebben opgelopen of dreigen op te lopen, de mogelijkheden tot hun ontplooiing te vergroten. Gemeentelijk en bovengemeentelijk beleid inzake sociale vernieuwing Het gemeentebestuur besteedt de ingevolge artikel 6 ontvangen bijdrage aan bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderdelen van de terreinen, genoemd in artikel 1, onder b. Binnen de grenzen, gesteld in de eerste volzin, is het gemeentebestuur vrij in de bestemming van de bijdrage. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gemeenten aangewezen die zorg dragen voor de ontwikkeling en uitvoering van het regionale beleid inzake voorzieningen voor ambulante verslavingszorg en in de regio gevestigde voorzieningen voor maatschappelijke opvang die toegankelijk zijn voor een ieder die in Nederland woont, alsmede voor de organisatie van de HALT-voorziening en de tenuitvoerlegging van de HALT-afdoening. Beslissingen over het beleid met betrekking tot deze voorzieningen worden door de in het eerste lid bedoelde gemeenten niet genomen dan na overleg met de betrokken gemeenten in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen regio's. Beslissingen over het beleid met betrekking tot de organisatie van de HALT-voorziening en de tenuitvoerlegging van de HALT-afdoening worden genomen in overeenstemming met het Openbaar Ministerie. Bij algemene maatregel van bestuur, vast te stellen op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, worden de gemeenten aangewezen die op experimentele basis zorg dragen voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid inzake sociale pensions. Het gemeentebestuur verricht het nodige ter bevordering van de actieve betrokkenheid van en samenwerking tussen de betrokkenen bij de totstandkoming en uitvoering van het beleid inzake sociale vernieuwing. Financiële bepalingen Uit 's Rijks kas wordt aan de gemeente jaarlijks een bijdrage verstrekt ten behoeve van de totstandkoming en uitvoering van het beleid inzake sociale vernieuwing. De bijdrage wordt jaarlijks berekend volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. De betaling van de bijdrage vindt plaats in twaalf zoveel mogelijk gelijke maandelijkse termijnen. Onze Minister kan, het gemeentebestuur gehoord, met behoud van de aan deze wet en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur ten grondslag liggende beginselen, een afwijkende berekening toepassen bij de vaststelling van de bijdrage aan gemeenten waarvoor na 1 januari 1992 een wijziging van de gemeentelijke indeling van kracht is geworden. De bijdrage wordt in beginsel in het jaar van ontvangst besteed. Niet-bestede gelden worden gereserveerd ten behoeve van het beleid inzake sociale vernieuwing op de onderdelen, aangewezen krachtens artikel 2. Het totaal van de gereserveerde gelden tot en met het jaar waarover ingevolge artikel 9 verslag wordt uitgebracht mag ten hoogste gelijk zijn aan dertig procent van de voor dat jaar ontvangen bijdrage. Het gemeentebestuur brengt jaarlijks een verslag uit over de besteding van de bijdrage, bedoeld in artikel 6, in het voorafgaande jaar en over een eventuele reservering van niet-bestede gelden. Het verslag behoort tot de rekening, bedoeld in artikel 199 van de Gemeentewet. Het wordt ingericht overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen model. Vóór 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarvoor een bijdrage is verstrekt, zendt het gemeentebestuur het verslag aan Onze Minister. Het gemeentebestuur voegt hierbij het door de registeraccountant uitgebrachte verslag, bedoeld in artikel 215, tweede lid, van de Gemeentewet, voor zover dat betrekking heeft op de besteding van de bijdrage en de reservering van niet-bestede gelden. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud en de reikwijdte van het in artikel 215, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde onderzoek van de rekening voor zover dat betrekking heeft op de besteding van de bijdrage en de reservering van niet-bestede gelden. Ten behoeve van de controle op de besteding van de bijdrage is het gemeentebestuur verplicht desgevraagd aan de door Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Comptabiliteitswet de voor deze controle benodigde informatie te verschaffen. Deze ambtenaren kunnen tevens informatie inwinnen bij de registeraccountant, bedoeld in artikel 215, tweede lid, van de Gemeentewet. Indien een ingevolge artikel 8, eerste lid, gereserveerd bedrag het in het tweede lid van dat artikel bedoelde percentage te boven gaat, kan Onze Minister de bijdrage voor een volgend jaar met ten hoogste het bedrag van de overschrijding verlagen. Onze Minister deelt binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, mede of naar zijn oordeel al dan niet een overschrijding van het percentage heeft plaatsgevonden. Indien een overschrijding als bedoeld in de eerste volzin heeft plaatsgevonden, nodigt hij het gemeentebestuur uit hem binnen drie maanden daarover inlichtingen te verschaffen. Onze Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde inlichtingen, dan wel binnen drie maanden na de laatste van de in het tweede lid bedoelde termijnen, omtrent de verlaging van de volgende jaarlijkse bijdrage. Indien het gemeentebestuur niet of niet volledig heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, kan Onze Minister de betaling van twintig procent van de termijnbetalingen, bedoeld in artikel 6, derde lid, opschorten met ingang van 1 januari van het jaar, volgend op het jaar waarin de verplichtingen niet werden nagekomen. Onze Minister stelt het gemeentebestuur vóór 1 november op de hoogte van zijn voornemen tot opschorting en nodigt het gemeentebestuur uit hem binnen één maand inlichtingen te verstrekken omtrent het niet-nakomen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid. Onze Minister beslist binnen één maand na het verstrijken van deze termijn omtrent de opschorting, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister beëindigt de opschorting slechts indien het gemeentebestuur vóór 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarin niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, werd voldaan, alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Bij de beëindiging wordt de opschorting van de eerdere termijnbetalingen ongedaan gemaakt. Indien het gemeentebestuur op 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarin niet werd voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, nog niet aan die verplichtingen heeft voldaan, wordt de opschorting van de betalingen door Onze Minister omgezet in een verlaging van de jaarlijkse bijdrage met het percentage van de opschorting. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, beslist Onze Minister binnen drie maanden na 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarin niet werd voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, over een verlaging van de bijdrage voor één of meer volgende jaren. Indien het gemeentebestuur bij herhaling niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, kan Onze Minister besluiten de bijdrage voor één of meer volgende jaren te verlagen. Indien het gemeentebestuur op andere wijze dan bedoeld in de artikelen 10 en 11 niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze Minister besluiten de bijdrage van één of meer volgende jaren te verlagen. Onze Minister deelt uiterlijk aan het eind van het jaar, volgend op het jaar waarvoor de bijdrage werd verstrekt, mede of een gemeentebestuur naar zijn oordeel op andere wijze dan bedoeld in de artikelen 10 en 11 al dan niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet. Indien Onze Minister aanwijzingen heeft of vaststelt dat een gemeentebestuur op andere wijze dan bedoeld in de artikelen 10 en 11 in strijd heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze wet, nodigt hij het gemeentebestuur uit hem binnen drie maanden inlichtingen te verstrekken. Binnen drie maanden na ontvangst van de in het derde lid bedoelde inlichtingen, dan wel binnen drie maanden na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, beslist Onze Minister omtrent de verlaging van de bijdrage voor één of meer volgende jaren. Indien Onze Minister heeft besloten tot een verlaging van een jaarlijkse bijdrage aan een gemeente, worden deze gelden toegevoegd aan de voor het jaar waarin de verlaging geëffectueerd wordt beschikbare gelden voor sociale vernieuwing. De in het eerste lid bedoelde gelden worden over de gemeenten verdeeld naar de mate waarin zij delen in het totaal van de krachtens deze wet voor sociale vernieuwing beschikbare gelden, met uitzondering van de gelden bestemd voor voorzieningen, bedoeld in artikel 3. Rijksbeleid inzake sociale vernieuwing Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, een gemeentebestuur op een daartoe door het gemeentebestuur ingediend verzoek, toestaan af te wijken van de artikelen 2 of 8, indien daardoor naar zijn oordeel het belang van sociale vernieuwing in de betrokken gemeente aanmerkelijk beter wordt gediend. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid dient te zijn ingediend vóór 1 april van het jaar ten aanzien waarvan het verzoek wordt gedaan. Onze Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek van het gemeentebestuur. Rapportage aan de Staten-Generaal Onze Minister brengt jaarlijks, binnen zes maanden na ontvangst van de verslagen, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, verslag uit aan de Staten-Generaal over de wijze van besteding van de bijdragen, alsmede over niet-bestede gelden. Naast de verslaglegging, bedoeld in het eerste lid, brengt Onze Minister periodiek verslag uit over de voortgang van het beleid inzake sociale vernieuwing. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Binnenlandse Zaken binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 27 tot en met 30 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die artikelen in de praktijk. Wijziging van enkele wetten en besluiten De Wet werkloosheidsvoorziening wordt als volgt gewijzigd: Artikel 7, zesde lid, vervalt. Artikel 7a vervalt. De artikelen 35, 36 en 36a vervallen. Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd: In onderdeel d van het eerste lid vervalt de zinsnede, aanvangende met «alsmede». Onderdeel g van het eerste lid vervalt. In het tweede lid vervalt de zinsnede «en g». De artikelen 40a en 40b vervallen. In artikel 41, eerste lid, vervalt de zinsnede «inzake de kennisgeving, bedoeld in artikel 40b,». In artikel 42, eerste lid, vervalt onderdeel c. De Algemene Bijstandswet wordt als volgt gewijzigd: Na artikel 3 wordt een artikel 3a ingevoegd, luidende: Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. Na artikel 30 wordt een artikel 30a ingevoegd, luidende: Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30, tweede lid, en voor het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van een administratieve sanctie. De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd: Artikel 8 vervalt. Aan artikel 16 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende: Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de inschakeling van uitkeringsgerechten in het arbeidsproces te bevorderen. Onder vernummering van het derde tot vierde lid wordt na artikel 18, tweede lid, ingevoegd een nieuwe derde lid, luidende: Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 en voor het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van een administratieve sanctie. De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd: Artikel 8 vervalt. Aan artikel 16 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende: Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de inschakeling van uitkeringsgerechten in het arbeidsproces te bevorderen. Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid, wordt na artikel 18, derde lid, ingevoegd een nieuw vierde lid, luidende: Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 en voor het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van een administratieve sanctie. Het Bijstandsbesluit landelijke normering wordt als volgt gewijzigd: In artikel 9 wordt «in de artikelen 10, 11, 11a en 12» vervangen door: in de artikelen 10 en 12. Artikel 9a vervalt. In artikel 10, vierde lid, worden de bedragen 145,18 onderscheidenlijk 629,12 vervangen door: 115,38 onderscheidenlijk 500. De artikelen 11 en 11a vervallen. Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd: 1°. Onderdeel e wordt vervangen door: e. premies die al dan niet eenmalig boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het aanvaarden van arbeid anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst met een banenpool als bedoeld in artikel 1 van de Rijksbijdrageregeling banenpools, voor zover deze premies binnen een tijdvak van een jaar te zamen niet meer bedragen dan f 3100,–; 2°. Toegevoegd wordt een onderdeel f, luidende: f. een eenmalige premie voor het voltooien van een noodzakelijk geachte scholing of opleiding als bedoeld in artikel 12 van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers of artikel 2 van het Scholingsbesluit bijstandsgerechten, voor zover een bedrag van 2100 niet wordt overschreden. In artikel 19, eerste lid, wordt «artikel 11, eerste lid, artikel 11a, eerste lid, onderdeel a, b, en f, en tweede lid,» vervangen door 4 door: artikel 12, onderdeel e en f. De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2, tweede lid, komt te luiden: Degene die van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon loon geniet uit een dienstbetrekking tot een niet-inhoudsplichtige dan wel loon in de vorm van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van uitkeringsgerechtigden, wordt geacht tot die rechtspersoon in dienstbetrekking te staan. Het Inkomensbesluit IOAW wordt als volgt gewijzigd: Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: In het eerste lid, onderdeel r, wordt de punt vervangen door een puntkomma. Aan het eerste lid worden na onderdeel r twee onderdelen toegevoegd luidende: s. premies die al dan niet eenmalig boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het aanvaarden van arbeid anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst met een banenpool als bedoeld in artikel 1 van de Rijksbijdrageregeling banenpools, voor zover deze premies binnen een tijdvak van een jaar tezamen meer bedragen dan f 3100,–; t. een eenmalige premie voor het voltooien van een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, voor zover deze premie meer bedraagt dan f 2100,–. Na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: Onze Minister wijzigt de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen s en t, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 1, vijfde lid, van de Algemene Bijstandswet bedoelde netto-minimumloon daartoe aanleiding geeft. De Welzijnswet wordt als volgt gewijzigd: In artikel 2, tweede lid, wordt het woord «indien» vervangen door: voor zover. De bijlage wordt als volgt gewijzigd: In onderdeel I vervallen de punten 18 en 19. Aan het slot van onderdeel III wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma, toegevoegd: algemene opvangcentra, opvangcentra voor vrouwen, FIOM-tehuizen, blijf-van-mijn-lijf-huizen, thuislozenzorg en begeleid wonen. Artikel VII van de wet van 20 februari 1989 houdende vereenvoudiging van financiële en bestuurlijke betrekkingen tussen overheden op terreinen van welzijn, volksgezondheid en cultuur en in verband daarmee wijziging van de Welzijnswet (Stb. 1989, 62) vervalt. Artikel V, tweede en derde lid, van de wet van 18 januari 1990 houdende wijziging van de Woonwagenwet (Stb. 1990, 59) vervalt. De Wet op het basisonderwijs wordt gewijzigd als volgt: In hoofdstuk I, titel IV, wordt een nieuwe afdeling 6a ingevoegd, luidende: SOCIALE VERNIEUWING ONDERWIJS Algemene bepaling Sociale vernieuwing onderwijs In deze wet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder sociale vernieuwing in het onderwijs: de inspanning van bevoegde gezagsorganen, gemeentebesturen en andere maatschappelijke organisaties en instellingen, gericht op de verbetering van de positie van leerlingen die een maatschappelijke achterstand hebben opgelopen of dreigen op te lopen. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs Samenwerkingsovereenkomst Ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs kan in een gemeente een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen bevoegde gezagsorganen van openbare scholen, bevoegde gezagsorganen van bijzondere scholen en het gemeentebestuur. Het besluit tot het aangaan van dan wel tot het toetreden tot een reeds bestaand samenwerkingsverband wordt door de gemeenteraad genomen. De overeenkomst kan mede worden gesloten door bevoegde gezagsorganen van scholen voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs en voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, van scholen of inrichtingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, en van scholen voor primair of secundair onderwijs, uit de openbare kas bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs. In de overeenkomst leggen partijen vast dat zij ervoor zorgdragen dat gedwongen ontslag van personeel als gevolg van de samenwerking wordt voorkomen. Indien de uitvoering van de overeenkomst niettemin leidt tot extra kosten in verband met ontslaguitkeringen, worden deze kosten in mindering gebracht op de rijksvergoeding aan die van de aan de overeenkomst deelnemende partijen, bij wie de ontslaguitkering is ontstaan. In de overeenkomst nemen partijen een regeling op om de kosten die ingevolge de vorige volzin in mindering worden gebracht, op billijke wijze te verrekenen tussen de aan de overeenkomst deelnemende partijen. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten Plaatselijk fonds Indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b kunnen de deelnemende partijen besluiten tot de oprichting van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die niet beoogt het maken van winst ten behoeve van het beheer over een plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs, met het doel middelen die door de deelnemende partijen daarvoor worden ingezet, ter beschikking te stellen van sociale vernieuwing in het onderwijs, dan wel ermee instemmen dat de gemeenteraad op grond van artikel 82 van de Gemeentewet een commissie instelt ten behoeve van dat doel. Financiële middelen Aan het plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs worden door de bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, financiële middelen ter beschikking gesteld, behoudens het bepaalde in artikel 110e, eerste lid. De financiële middelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afkomstig zijn uit de vergoedingen waarover de school beschikt op grond van regelingen die zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. De gemeenteraad kan besluiten financiële middelen in het fonds te storten. Het bestuur van de rechtspersoon dan wel de commissie beslist over de inzet van de financiële middelen, met inachtneming van hetgeen de aan de overeenkomst deelnemende partijen ter zake zijn overeengekomen. De aan de overeenkomst deelnemende partijen voeren ten minste éénmaal per jaar overleg over hun beleidsvoornemens inzake sociale vernieuwing met de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende lokale organisaties van minderheidsgroepen. Voor de toepassing van dit artikel kan van het bepaalde in artikel 105i, tweede lid, worden afgeweken, indien daarover in het overleg, bedoeld in artikel 22a, overeenstemming is bereikt. Plan van activiteiten Aan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 110c, dan wel aan de commissie, bedoeld in dat artikel, kan door de bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, naast of in plaats van het beschikbaar stellen van financiële middelen als bedoeld in artikel 110d, eerste lid, de bevoegdheid worden toegekend om een plan van door personeel te verrichten activiteiten in het kader van de sociale vernieuwing in het onderwijs vast te stellen. De gemeenteraad kan besluiten dat het plan tevens betrekking kan hebben op activiteiten, te verrichten door gemeentelijk personeel dat niet aan een school is verbonden en dat wordt bekostigd uit de eigen financiële middelen. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst Melding samenwerkingsovereenkomst Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b worden de activiteiten die hieruit voortvloeien, in een gezamenlijk document vermeld en wordt in het schoolwerkplan van de deelnemende scholen naar dit document verwezen. Overschrijdingsregeling niet van toepassing Indien een fonds in stand wordt gehouden als bedoeld in artikel 110c vindt de overschrijdingsregeling ingevolge paragraaf 4 van afdeling 5 van titel IV van hoofdstuk I geen toepassing op de uitgaven van de gemeente ten behoeve van het fonds of op bestedingen uit het fonds. Voorschoolse activiteiten Indien een rechtspersoon is opgericht als bedoeld in artikel 110c dan wel een in dat artikel bedoelde commissie is ingesteld, kunnen, voor zover het plan, bedoeld in artikel 110e, daarin voorziet, activiteiten worden verricht en financiële middelen worden ingezet ten behoeve van kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten en die de leeftijd van drie jaren hebben bereikt. De activiteiten zijn gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs. Regeling aantal uren onderwijs niet van toepassing Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b vindt de regeling ten aanzien van het maximale aantal uren per dag dat leerlingen onderwijs mogen ontvangen, geen toepassing indien dit van belang is in verband met activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Personeel belast met OET-activiteiten Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b kan het bevoegd gezag personeel belasten met activiteiten in het kader van onderwijs in eigen taal mits dat personeel voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid van ten minste een der samenwerkende scholen. Toepasselijkheid nadere voorschriften Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b zijn in het geval dat door een of meer van de aan de overeenkomst deelnemende partijen tevens een overeenkomst als bedoeld in artikel 111a, eerste lid, is gesloten en de uit laatstbedoelde overeenkomst voortvloeiende activiteiten geheel of gedeeltelijk voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zijn gebracht, nadere voorschriften als bedoeld in artikel 111a, negende lid, vierde volzin, voor zover die betrekking hebben op verslaglegging aan Onze minister over deze activiteiten, niet van toepassing. Artikel 6 niet van toepassing Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b met daaraan verbonden een fonds als bedoeld in artikel 110c, eerste lid, is het bepaalde in de tweede volzin van artikel 6 niet van toepassing voor zover het betreft middelen die op het fonds betrekking hebben. Beroep Een belanghebbende kan beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen een beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 110b, eerste lid, tweede volzin. In artikel 111a vervalt het tiende lid en wordt het elfde lid vernummerd tot tiende lid. De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd: In hoofdstuk I, titel IV wordt na artikel 110 ingevoegd: Afdeling 6A. Sociale vernieuwing onderwijs § 1. Algemene bepaling Artikel 110a. Sociale vernieuwing onderwijs § 2. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs Artikel 110b. Samenwerkingsovereenkomst § 3. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten Artikel 110c. Plaatselijk fonds Artikel 110d. Financiële middelen Artikel 110e. Plan van activiteiten § 4. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst Artikel 110f. Melding samenwerkingsovereenkomst Artikel 110g. Overschrijdingsregeling niet van toepassing Artikel 110h. Voorschoolse activiteiten Artikel 110i. Regeling aantal uren onderwijs niet van toepassing Artikel 110j. Personeel belast met OET-activiteiten Artikel 110k. Toepasselijkheid nadere voorschriften Artikel 110l. Artikel 6 niet van toepassing Artikel 110m. Beroep. De Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt gewijzigd als volgt: In titel IV wordt na afdeling 6 een nieuwe afdeling 6a ingevoegd, luidende: SOCIALE VERNIEUWING ONDERWIJS Algemene bepaling Sociale vernieuwing onderwijs In deze wet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder sociale vernieuwing in het onderwijs: de inspanning van bevoegde gezagsorganen, gemeentebesturen en andere maatschappelijke organisaties en instellingen, gericht op de verbetering van de positie van leerlingen die een maatschappelijke achterstand hebben opgelopen of dreigen op te lopen. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs Samenwerkingsovereenkomst Ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs kan in een gemeente een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen bevoegde gezagsorganen van openbare scholen, bevoegde gezagsorganen van bijzondere scholen en het gemeentebestuur. Het besluit tot het aangaan van dan wel tot het toetreden tot een reeds bestaand samenwerkingsverband wordt door de gemeenteraad genomen. De overeenkomst kan mede worden gesloten door bevoegde gezagsorganen van scholen voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het basisonderwijs, van scholen of inrichtingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, en van scholen voor primair of secundair onderwijs, uit de openbare kas bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs. In de overeenkomst leggen partijen vast dat zij ervoor zorgdragen dat gedwongen ontslag van personeel als gevolg van de samenwerking wordt voorkomen. Indien de uitvoering van de overeenkomst niettemin leidt tot extra kosten in verband met ontslaguitkeringen, worden deze kosten in mindering gebracht op de rijksvergoeding aan die van de aan de overeenkomst deelnemende partijen, bij wie de ontslaguitkering is ontstaan. In de overeenkomst nemen partijen een regeling op om de kosten die ingevolge de vorige volzin in mindering worden gebracht, op billijke wijze te verrekenen tussen de aan de overeenkomst deelnemende partijen. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten Plaatselijk fonds Indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 106b kunnen de deelnemende partijen besluiten tot de oprichting van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die niet beoogt het maken van winst ten behoeve van het beheer over een plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs, met het doel middelen die door de deelnemende partijen daarvoor worden ingezet, ter beschikking te stellen van sociale vernieuwing in het onderwijs, dan wel ermee instemmen dat de gemeenteraad op grond van artikel 82 van de Gemeentewet een commissie instelt ten behoeve van dat doel. Financiële middelen Aan het plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs worden door de bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, financiële middelen ter beschikking gesteld, behoudens het bepaalde in artikel 106e, eerste lid. De financiële middelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afkomstig zijn uit de vergoedingen waarover de school beschikt op grond van regelingen die zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. De gemeenteraad kan besluiten financiële middelen in het fonds te storten. Het bestuur van de rechtspersoon dan wel de commissie beslist over de inzet van de financiële middelen, met inachtneming van hetgeen de aan de overeenkomst deelnemende partijen ter zake zijn overeengekomen. De aan de overeenkomst deelnemende partijen voeren ten minste éénmaal per jaar overleg over hun beleidsvoornemens inzake sociale vernieuwing met de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende lokale organisaties van minderheidsgroepen. Voor de toepassing van dit artikel kan van het bepaalde in artikel 102j, tweede lid, worden afgeweken, indien daarover in het overleg, bedoeld in artikel 30a, overeenstemming is bereikt. Plan van activiteiten Aan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 106c, dan wel aan de commissie, bedoeld in dat artikel, kan door de bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, naast of in plaats van het beschikbaar stellen van financiële middelen als bedoeld in artikel 106d, eerste lid, de bevoegdheid worden toegekend om een plan van door personeel te verrichten activiteiten in het kader van de sociale vernieuwing in het onderwijs vast te stellen. De gemeenteraad kan besluiten dat het plan tevens betrekking kan hebben op activiteiten, te verrichten door gemeentelijk personeel dat niet aan een school is verbonden en dat wordt bekostigd uit de eigen financiële middelen. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst Melding samenwerkingsovereenkomst Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 106b worden de activiteiten die hieruit voortvloeien, in een gezamenlijk document vermeld en wordt in het schoolwerkplan van de deelnemende scholen naar dit document verwezen. Overschrijdingsregeling niet van toepassing Indien een fonds in stand wordt gehouden als bedoeld in artikel 106c vindt de overschrijdingsregeling ingevolge paragraaf 4 van afdeling 5 van titel IV geen toepassing op de uitgaven van de gemeente ten behoeve van het fonds of op bestedingen uit het fonds. Personeel belast met OET-activiteiten Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 106b kan het bevoegd gezag personeel belasten met activiteiten in het kader van onderwijs in eigen taal mits dat personeel voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid van ten minste een der samenwerkende scholen. Toepasselijkheid nadere voorschriften Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 106b zijn in het geval dat door een of meer van de aan de overeenkomst deelnemende partijen tevens een overeenkomst als bedoeld in artikel 109, eerste lid, is gesloten en de uit laatstbedoelde overeenkomst voortvloeiende activiteiten geheel of gedeeltelijk voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zijn gebracht, nadere voorschriften als bedoeld in artikel 109, negende lid, vierde volzin, voor zover die betrekking hebben op verslaglegging aan Onze minister over deze activiteiten, niet van toepassing. Artikel 6 niet van toepassing Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 106b met een fonds is het bepaalde in de tweede volzin van artikel 6 niet van toepassing voor zover het betreft middelen die op het fonds betrekking hebben. Beroep Een belanghebbende kan beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen een beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 106b, eerste lid, tweede volzin. In artikel 107a vervalt het tiende lid en wordt het elfde lid vernummerd tot tiende lid. De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd: In titel IV wordt na artikel 106 ingevoegd: Afdeling 6A. Sociale vernieuwing onderwijs § 1. Algemene bepaling Artikel 106a. Sociale vernieuwing onderwijs § 2. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs Artikel 106b. Samenwerkingsovereenkomst § 3. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten Artikel 106c. Plaatselijk fonds Artikel 106d. Financiële middelen Artikel 106e. Plan van activiteiten § 4. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst Artikel 106f. Melding samenwerkingsovereenkomst Artikel 106g. Overschrijdingsregeling niet van toepassing Artikel 106h. Personeel belast met OET-activiteiten Artikel 106i. Toepasselijkheid nadere voorschriften Artikel 106j. Artikel 6 niet van toepassing Artikel 106k. Beroep. De Wet op het voortgezet onderwijs wordt gewijzigd als volgt: Artikel 99, tweede lid tweede volzin, wordt vervangen door twee nieuwe volzinnen, luidende: De vergoeding, bedoeld in artikel 96d, eerste lid onderdeel b, wordt besteed ten behoeve van het onderwijs aan de school dan wel ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs. De vergoeding, bedoeld in artikel 96d, eerste lid onderdeel c, wordt besteed ten behoeve van het onderwijs aan de school. In artikel 102b vervalt het tiende lid en wordt het elfde lid vernummerd tot tiende lid. Na titel IV wordt een nieuwe titel IVa ingevoegd, luidende: SOCIALE VERNIEUWING ONDERWIJS Algemene bepaling Sociale vernieuwing onderwijs In deze wet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder sociale vernieuwing in het onderwijs: de inspanning van bevoegde gezagsorganen, gemeentebesturen en andere maatschappelijke organisaties en instellingen, gericht op de verbetering van de positie van leerlingen die een maatschappelijke achterstand hebben opgelopen of dreigen op te lopen. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs Samenwerkingsovereenkomst Ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs kan in een gemeente een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen bevoegde gezagsorganen van openbare scholen of inrichtingen, bevoegde gezagsorganen van bijzondere scholen of inrichtingen en het gemeentebestuur. Het besluit tot het aangaan van dan wel tot het toetreden tot een reeds bestaand samenwerkingsverband wordt door de gemeenteraad genomen. De overeenkomst kan mede worden gesloten door bevoegde gezagsorganen van scholen voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het basisonderwijs, van scholen voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs en voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, en van scholen voor primair of secundair onderwijs, uit de openbare kas bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs. In de overeenkomst leggen partijen vast dat zij ervoor zorgdragen dat gedwongen ontslag van personeel als gevolg van de samenwerking wordt voorkomen. Indien de uitvoering van de overeenkomst niettemin leidt tot extra kosten in verband met ontslaguitkeringen, worden deze kosten in mindering gebracht op de rijksvergoeding aan die van de aan de overeenkomst deelnemende partijen, bij wie de ontslaguitkering is ontstaan. In de overeenkomst nemen partijen een regeling op om de kosten die ingevolge de vorige volzin in mindering worden gebracht, op billijke wijze te verrekenen tussen de aan de overeenkomst deelnemende partijen. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten Plaatselijk fonds Indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b kunnen de deelnemende partijen besluiten tot de oprichting van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die niet beoogt het maken van winst ten behoeve van het beheer over een plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs, met het doel middelen die door de deelnemende partijen daarvoor worden ingezet, ter beschikking te stellen van sociale vernieuwing in het onderwijs, dan wel ermee instemmen dat de gemeenteraad op grond van artikel 82 van de Gemeentewet een commissie instelt ten behoeve van dat doel. Financiële middelen Aan het plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs worden door de bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, financiële middelen ter beschikking gesteld, behoudens het bepaalde in artikel 118e, eerste lid. De financiële middelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afkomstig zijn uit de vergoedingen waarover de school beschikt op grond van regelingen die zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. De gemeenteraad kan besluiten financiële middelen in het fonds te storten. Het bestuur van de rechtspersoon dan wel de commissie beslist over de inzet van de financiële middelen, met inachtneming van hetgeen de aan de overeenkomst deelnemende partijen ter zake zijn overeengekomen. De aan de overeenkomst deelnemende partijen voeren ten minste éénmaal per jaar overleg over hun beleidsvoornemens inzake sociale vernieuwing met de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende lokale organisaties van minderheidsgroepen. Plan van activiteiten Aan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 118c, dan wel aan de commissie, bedoeld in dat artikel, kan door de bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, naast of in plaats van het beschikbaar stellen van financiële middelen als bedoeld in artikel 118d, eerste lid, de bevoegdheid worden toegekend om een plan van door personeel te verrichten activiteiten in het kader van de sociale vernieuwing in het onderwijs vast te stellen. De gemeenteraad kan besluiten dat het plan tevens betrekking kan hebben op activiteiten, te verrichten door gemeentelijk personeel dat niet aan een school is verbonden en dat wordt bekostigd uit de eigen financiële middelen. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst Melding samenwerkingsovereenkomst Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b worden de activiteiten die hieruit voortvloeien, in een gezamenlijk document vermeld en wordt in het schoolwerkplan van de deelnemende scholen naar dit document verwezen. Overschrijdingsregeling niet van toepassing Indien een fonds in stand wordt gehouden als bedoeld in artikel 118c vindt de overschrijdingsregeling ingevolge paragraaf 6 van hoofdstuk III van afdeling II van titel III geen toepassing op de uitgaven van de gemeente ten behoeve van het fonds of op bestedingen uit het fonds. Personeel belast met OET-activiteiten Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b kan het bevoegd gezag personeel belasten met activiteiten in het kader van onderwijs in eigen taal mits dat personeel voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid van ten minste een der samenwerkende scholen. Toepasselijkheid nadere voorschriften Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b zijn in het geval dat door een of meer van de aan de overeenkomst deelnemende partijen tevens een overeenkomst als bedoeld in artikel 102b, eerste lid, is gesloten en de uit laatstbedoelde overeenkomst voortvloeiende activiteiten geheel of gedeeltelijk voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zijn gebracht, nadere voorschriften als bedoeld in artikel 102b, negende lid, vierde volzin, voor zover die betrekking hebben op verslaglegging aan Onze minister over deze activiteiten, niet van toepassing. Artikel 77, tweede lid, niet van toepassing Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b met een fonds is het bepaalde in artikel 77, tweede lid, niet van toepassing voor zover het betreft middelen die op het fonds betrekking hebben. Activiteiten voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b kunnen de aan de overeenkomst deelnemende partijen activiteiten verrichten ten behoeve van leerlingen van 14 jaar en ouder die behoren tot een van de groepen leerlingen, bedoeld in artikel 37 van het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o., en die voor de eerste maal als leerlingen aan een Nederlandse school zijn ingeschreven. De activiteiten zijn gericht op een verbeterde doorstroming naar het vervolgonderwijs. De activiteiten kunnen zonodig afwijken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11f en artikel 22. Beroep Een belanghebbende kan beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen een beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 118b, eerste lid, tweede volzin. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel 110b, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs, artikel 106b, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, en 118b, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs telkens «gedwongen ontslag van personeel» vervangen door: gedwongen ontslag of deelontslag van personeel. Overige bepalingen Indien het gemeentebestuur gelden besteedt aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen voorzieningen voor maatschappelijke opvang, draagt het er zorg voor dat aan de personen die van zodanige voorzieningen gebruik maken in ieder geval onderdak, voeding, alsmede hulpverlening en begeleiding wordt geboden. Indien het gemeentebestuur aan de betrokken personen een eigen bijdrage in rekening brengt, is de hoogte van die bijdrage zodanig dat de betrokken personen in ieder geval de beschikking houden over een bij die maatregel vastgesteld bedrag. Indien het gemeentebestuur middelen verstrekt aan instellingen die ambulante verslavingszorg aanbieden, draagt het er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter zake te stellen regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur daartoe aangewezen instelling. Overgangsbepalingen Indien een gemeentebestuur in overeenstemming met artikel 8 van het Besluit sociale vernieuwing op 1 januari van het jaar dat de wet in werking treedt een bedrag heeft overgehouden van de in de voorgaande jaren verstrekte doeluitkeringen, besteedt het gemeentebestuur dat bedrag aan de krachtens artikel 2, eerste lid, aangewezen onderdelen van terreinen in het eerste jaar waarvoor ingevolge artikel 6 een bijdrage wordt verstrekt. De financiële verantwoording van dit bedrag geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 9. Indien van de doeluitkeringen die op grond van het Besluit sociale vernieuwing aan gemeenten zijn verstrekt nog gelden worden teruggevorderd, worden die toegevoegd aan het voor sociale vernieuwing op Hoofdstuk VII van de Rijksbegroting beschikbare bedrag voor sociale vernieuwing van het jaar waarin de terugbetaling plaatsvindt. De in het eerste lid bedoelde gelden worden over de gemeenten verdeeld naar de mate waarin zij delen in het totaal van de voor de uitvoering van deze wet beschikbare gelden, met uitzondering van de gelden bestemd voor voorzieningen, bedoeld in artikel 3. De krachtens artikel 3, eerste lid, aangewezen gemeenten stellen de instellingen voor maatschappelijke opvang waarvoor zij een centrumfunctie vervullen en die in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet voor de uitvoering van voorzieningen als bedoeld in artikel 3 gelden ontvingen van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en de instellingen voor ambulante verslavingszorg in staat de betreffende voorzieningen gedurende twee jaren na inwerkingtreding van de wet in stand te houden tot ten minste het niveau van het jaar, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, voor zover dit overeenstemt met de daarvoor toegekende gelden. Vergoedingen krachtens de bij artikel 17 ingetrokken bepalingen met betrekking tot tijdvakken gelegen vóór de inwerkingtreding van deze wet blijven beheerst door de bij of krachtens die bepalingen gestelde regels. Aan degene die op de dag, voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel, een uitkering ontving met toepassing van artikel 11, eerste of vijfde lid, van het Bijstandsbesluit landelijke normering, en voor wie op dat tijdstip de periode bedoeld in de eerste of vijfde lid van dat artikel nog niet is verstreken, wordt voor de resterende periode door burgemeester en wethouders een premie verleend, zolang arbeid wordt verricht waarmee niet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden voorzien. Een premie als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het bedrag van de arbeidsinkomsten dat ingevolge de artikelen 11 en 11a van het Bijstandsbesluit landelijke normering bij de bijstandverlening buiten beschouwen zou zijn gelaten. De toepassing van het eerste lid eindigt zodra burgemeester en wethouders richtlijnen met betrekking tot het verstrekken van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van uitkeringsgerechtigden hebben vastgesteld en deze ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, hebben toegepast. Aan degene die op de dag, voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, een uitkering ontving met toepassing van artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en voor wie op die dag de periode, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, nog niet is verstreken, wordt voor de resterende periode door burgemeester en wethouders een premie verleend, zolang arbeid wordt verricht waarmee een inkomen verworven wordt dat minder bedraagt dan de ingevolge artikel 4 van die wetten toepasselijke grondslag. Een premie als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het bedrag van de inkomsten uit arbeid dat met toepassing van artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering buiten beschouwing zou zijn gelaten. De toepassing van het eerste lid eindigt zodra burgemeester en wethouders richtlijnen met betrekking tot het verstrekken van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van uitkeringsgerechtigden hebben vastgesteld en deze ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, hebben toegepast. Slotbepalingen De voordracht voor een krachtens artikel 2 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp gedurende drie maanden aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Een bepaling in een algemene maatregel van bestuur waarbij een aanwijzing van een onderdeel krachtens artikel 2 vervalt, wordt vóór 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarin de bepaling in werking treedt, bekendgemaakt en treedt in werking op de eerste dag van het jaar, volgend op het tijdstip van vaststelling van de algemene maatregel van bestuur. - document.segment-2 Verify source ↗
Beschikking van de Minister van Justitie van 22 mei 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616 — segment 2
AI-assisted research summary: The provision sets out publication, renumbering, commencement, partial retroactive effect, expiry, and repeal timing for the law.
Indien de omvang van de jaarlijkse bijdrage als gevolg van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid zodanig afneemt dat geen uitvoering gegeven kan worden aan besluiten als bedoeld in de artikelen 10, derde lid, 11, vijfde en zesde lid, en artikel 12, vierde lid, kan bij deze algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat uitvoering van deze besluiten plaatsvindt door verlaging van meer dan één jaarlijkse bijdrage. Indien het bij koninklijke boodschap van 31 maart 1993 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met sociale vernieuwing (Regeling samenwerking sociale vernieuwing onderwijs) (kamerstukken II 1992/93, 23 078, nr. 2) tot wet wordt verheven, worden na artikel 26 ingevoegd de artikelen 27 tot en met 30, die de tekst bevatten van de onderscheiden artikelen I tot en met IV van die wet. Na de invoeging van de artikelen 27 tot en met 30 wordt de aldus gewijzigde tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1994 en werkt voor wat betreft artikel 39 terug tot en met 1 april 1993. De artikelen 1 tot en met 15 en 17 tot en met 43 vervallen met ingang van 1 januari 1997, tenzij voor dit tijdstip een voorstel tot wijziging van artikel 43 bij de Staten-Generaal is ingediend. De wet wordt ingetrokken vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 27 tot en met 30. In afwijking van het eerste lid treden artikel 18, onderdeel A, artikel 19, onderdelen A en B, artikel 20, onderdelen A en B, artikel 21, artikel 22, artikel 23, artikel 37 en artikel 38 op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 27 tot en met 30 in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillen kan worden gesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Beschikking van de Minister van Justitie van 22 mei 1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in