Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
This section changes several tax rules, including vehicle-related tax calculations, carryforward rules for certain investment allowances, reporting duties for the Minister of Social Affairs and Employment, and the start date of the law.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 23 Dec 2025
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
AI-assisted research summary: This section changes several tax rules, including vehicle-related tax calculations, carryforward rules for certain investment allowances, reporting duties for the Minister of Social Affairs and Employment, and the start date of the law.
Staatsblad Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A Aa 2. De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt op jaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.200 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175). B 5. Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de belastingplichtige wordt gestald, wordt de onttrekking in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt geacht geen sprake te zijn indien de belastingplichtige in de periode waarin de fiets zich bij het woon-of verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft. C het in artikel 2.13 opgenomen percentage, geldend voor het jaar waarin de voordelen zijn genoten; het in de vierde kolom van de in artikel 2.12 opgenomen tabel als tweede vermelde percentage, geldend voor het jaar waarin de voordelen zijn genoten. 6. Ingeval de tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b behorende vermogensbestanddelen middellijk worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige niet een aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4 of afdeling 7.3 houdt en die vermogensbestanddelen met ingang van enig tijdstip worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang houdt, is het vijfde lid ter zake van die vermogensbestanddelen niet van toepassing op voordelen als bedoeld in dat lid, voor zover de waarde in het economische verkeer van deze vermogensbestanddelen op het direct daaraan voorafgaande tijdstip het opgeofferde bedrag van het lucratieve belang overtreft. D E 5. Het derde lid is niet van toepassing indien sprake is van: een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of gelieerde partijen die een zodanige huurprijs of pachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen. F 4. Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is artikel 5.12 uitsluitend van toepassing, indien het achterliggende vermogensbestanddeel, bedoeld in dat artikel, een banktegoed is als bedoeld in artikel 5.2, derde lid. G de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid; artikel 5.21 niet wordt toegepast, indien ter zake van het betreffende effect sprake is van een lopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet of niet volledig in de notering in de prijscourant is verdisconteerd». H Ha I J aA A 9. In afwijking van het eerste en derde lid bedraagt het bedrag van de energie-investeringsaftrek niet meer dan het bedrag van de winst uit de onderneming. Indien toepassing van de eerste zin tot een verlaging van het bedrag van de energie-investeringsaftrek leidt, wordt het bedrag waarmee de energie-investeringsaftrek is verlaagd aangemerkt als niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek. 10. De inspecteur stelt het bedrag van de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 3.151, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor verlies uit werk en woning of ondernemingsverlies wordt gelezen: niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek. 11. De niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend door in die jaren een verhoging van de energie-investeringsaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de energie-investeringsaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek vindt plaats in de volgorde waarin deze niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek is ontstaan. 12. Het verrekenen van niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek in een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 13. Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het twaalfde lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het elfde lid. 14. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: het bedrag van de winst zonder toepassing van dit artikel die de belastingplichtige als ondernemer uit de onderneming geniet. 10. In afwijking van het eerste en derde lid bedraagt het bedrag van de milieu-investeringsaftrek niet meer dan het bedrag van de winst uit de onderneming. Indien toepassing van de eerste zin tot een verlaging van het bedrag van de milieu-investeringsaftrek leidt, wordt het bedrag waarmee de milieu-investeringsaftrek is verlaagd aangemerkt als niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek. 11. De inspecteur stelt het bedrag van de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 3.151, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor verlies uit werk en woning of ondernemingsverlies wordt gelezen: niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek. 12. De niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend door in die jaren een verhoging van de milieu-investeringsaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de milieu-investeringsaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek vindt plaats in de volgorde waarin deze niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek is ontstaan. 13. Het verrekenen van niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek in een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 14. Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het dertiende lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het twaalfde lid. 15. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: het bedrag van de winst zonder toepassing van dit artikel die de belastingplichtige als ondernemer uit de onderneming geniet. aA 2. Het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.200 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175). A 5. Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald, wordt het voordeel in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt geacht geen sprake te zijn indien de werknemer in de periode waarin de fiets zich bij het woon- of verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft. B C D uitgaven van levensonderhoud; uitgaven voor gesprekskosten voor privédoeleinden». E 9. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het achtste lid, tweede zin, laatstgenoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. aA A B 1. In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt de waarde van een door een inhoudingsplichtige aan een of meer werknemers ook voor privédoeleinden ter beschikking gestelde fossiele personenauto aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 12%. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht voor privédoeleinden plaats te vinden. 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt verstaan onder: een personenauto als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, waarvan niet uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is; de catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van die wet, met dien verstande dat de waarde van een auto die meer dan 25 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer; ter beschikking stellen als bedoeld in artikel 13bis, eerste lid 4. Indien een personenauto slechts een deel van een kalendermaand ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze geacht die gehele kalendermaand ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. 5. De verschuldigde belasting, bedoeld in het eerste lid, wordt, in afwijking van artikel 27a, tweede lid, uiterlijk aangegeven en voldaan tegelijk met de aangifte, onderscheidenlijk afdracht, over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Ingeval de inhoudingsplicht is geëindigd in de loop van het kalenderjaar wordt voor het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin, gelezen: het tijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd. 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van dit artikel sprake is van woon-werkverkeer. C Artikel 32bc is tot 17 september 2030 niet van toepassing met betrekking tot personenauto’s die door de inhoudingsplichtige vóór 1 januari 2027 voor het eerst aan een of meer werknemers ter beschikking zijn gesteld. A B 1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid monitort het gebruik van regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 en zendt aan de Staten-Generaal hiervan jaarlijks een verslag dat in ieder geval de volgende elementen omvat: de gerichtheid van de regelingen voor vervroegde uittreding, waarbij aandacht wordt geschonken aan: de hoogte van gehanteerde inkomensgrenzen; de afbakening van de doelgroep en eventuele herijking hiervan; het gebruik en de onderbouwing van de extra ruimte in de drempelvrijstelling; het profiel van deelnemers aan regelingen voor vervroegde uittreding; het totale gebruik van de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding; de voortgang op duurzame inzetbaarheid gekoppeld aan collectieve regelingen voor vervroegde uittreding. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid rapporteert jaarlijks over het gebruik van de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding. Bij overschrijding van een signaalwaarde van 15.000 nieuwe deelnemers op jaarbasis aan een regeling voor vervroegde uittreding treedt het kabinet in overleg met sociale partners over de oorzaken hiervan, de gerichtheid van regelingen voor vervroegde uittreding en het bijsturen hierop. 3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt zorg voor een driejaarlijks ijkmoment, te beginnen in 2028, waarbij aan de hand van de rapportages, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën wordt beoordeeld of de drempelvrijstelling in dezelfde vorm kan blijven bestaan of dat er bijsturing, afbouw of beëindiging moet plaatsvinden. 4. Voor de bijsturing of afbouw, bedoeld in het tweede en derde lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een regeling worden getroffen. 5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. A 4. Hetgeen aan een echtgenoot bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap, meer toekomt dan de helft van die gemeenschap of, in geval van een verrekenbeding, hetgeen aan een echtgenoot meer toekomt dan de helft van de te verrekenen som, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen: in geval van ontbinding of verrekening bij overlijden: geacht van de andere echtgenoot te zijn verkregen krachtens erfrecht door diens overlijden; in geval van ontbinding of verrekening tijdens leven: geacht van de andere echtgenoot te zijn verkregen krachtens schenking. 5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verrekening op grond van een beding dat is overeengekomen door personen die op het moment van verrekening partners als bedoeld in artikel 1a zijn of zijn geweest. B C kinderen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot de persoon waarvan uit een genetische test blijkt dat die hun biologische ouder is, met kinderen die wel in familierechtelijke betrekking staan tot die persoon. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de genetische test waarmee de belastingplichtige het biologische ouderschap kan doen blijken. D 16. Het achtste lid is niet van toepassing indien sprake is van: een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of gelieerde partijen die een zodanige huurprijs of pachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen. E F G H A Bij een CO2 -uitstoot vanaf Tot bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal gram/km CO2 -uitstoot dat de in kolom I vermelde CO2 -uitstoot te boven gaat I II III IV 0 gram/km 77 € 687 € 2 77 gram/km 100 € 841 € 82 100 gram/km 139 € 2.727 € 181 139 gram/km 155 € 9.786 € 297 155 gram/km – € 14.538 € 594 B 1. In afwijking van artikel 9, derde lid, onderdeel a, bedraagt de belasting tot 1 januari 2031 voor een bijzondere personenauto als bedoeld in dat onderdeel met een aandrijving uitsluitend op elektriciteit of waterstof: het tarief voor een personenauto met een uitstoot van 0 gram per kilometer als bedoeld in artikel 9, eerste lid. 2. In afwijking van artikel 9, derde lid, onderdeel b, bedraagt de belasting tot 1 januari 2031 voor een motorrijwiel met een aandrijving uitsluitend op elektriciteit of waterstof: € 200. C Bij een CO2 -uitstoot vanaf Tot I II 0 gram/km 76 76 gram/km 98 98 gram/km 137 137 gram/km 152 152 gram/km – Bij een CO2 -uitstoot vanaf Tot I II 0 gram/km 75 75 gram/km 97 97 gram/km 135 135 gram/km 150 150 gram/km – A 1. In afwijking van de artikelen 23 en 23a bedraagt de belasting voor een motorrijtuig dat een aandrijving heeft uitsluitend op elektriciteit of waterstof een percentage van de ingevolge die artikelen verschuldigde belasting. Dat percentage is: voor het jaar 2026: 70%; voor het jaar 2027: 70%; voor het jaar 2028: 70%; voor het jaar 2029: 75%. Aa In afwijking van dit hoofdstuk, afdeling 3, bedraagt de belasting nihil voor een motorrijtuig van voertuigcategorie N2 als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder ii, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151), indien dat motorrijtuig een toegestane maximum massa heeft van 3.500 kilogram of minder. B Voor een bestelauto die:. A Aa B C 2. Het tarief voor een afvalverbrandingsinstallatie, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij aanvang van de volgende kalenderjaren, alvorens artikel 90 wordt toegepast, telkens verhoogd. Deze verhoging is voor: het kalenderjaar 2027: € 48,26; het kalenderjaar 2028: € 49,00; het kalenderjaar 2029: € 49,00; en het kalenderjaar 2030: € 48,00. Artikel 90 vindt geen toepassing op een bedrag in dit lid nadat daarmee het tarief is verhoogd. D 2. De herberekening geschiedt in de aflopende volgorde die is gebaseerd op de hoogte van het tarief beginnend met het belastingtijdvak met het hoogste tarief. A drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet of ander water dat voldoet aan de eisen, gesteld in de op artikel 21, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Drinkwaterwet berustende algemene maatregel van bestuur, dat door een drinkwaterbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld;. B 2. Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt de levering van leidingwater aan een verbruiker via een kleine of zeer kleine collectieve watervoorziening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet. C D E F G het storten van afvalstoffen waarvoor op grond van de op de artikelen 8.40, eerste lid, en 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer berustende algemene maatregel van bestuur, houdende een stortverbod binnen inrichtingen voor aangewezen categorieën van afvalstoffen, op verzoek een ontheffing is verleend van het in die algemene maatregel van bestuur opgenomen stortverbod: € 145,50 per 1.000 kilogram. A 3. De reductiefactor bedraagt 1,023. 4. De correctiefactor voor broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval bedraagt voor het jaar 2026 0,85, voor het jaar 2027 0,70, voor het jaar 2028 0,55, voor het jaar 2029 0,40, voor het jaar 2030 0,25, voor het jaar 2031 0,17, voor het jaar 2032 0,09 en voor het jaar 2033 en de daaropvolgende jaren 0. B 3. Exploitanten van broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval kunnen uitsluitend dispensatierechten leveren aan en ontvangen van andere exploitanten van broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval. dit tarief voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in dat artikel;. A Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PbEU 2013, L 181). B Onder alcoholvrije dranken worden verstaan vruchten- en groentesap en water, mineraalwater en spuitwater voor zover niet vallend onder GN-code 2201 en overige alcoholvrije drank, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenproducten of overige alcoholhoudende producten in de zin van de Wet op de accijns. C 3. Als overige alcoholvrije drank worden niet aangemerkt: alcoholvrije dranken van GN-code 2202 99 11 met een suikergehalte van niet meer dan 5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte van niet meer dan 1,1 gewichtspercenten; volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c, d, onderscheidenlijk g, van Verordening (EU) nr. 609/2013. 4. Als overige alcoholvrije drank wordt evenmin aangemerkt de drank, bedoeld in het derde lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik gerede overige alcoholvrije drank vervaardigen voor gebruik ter plaatse. D Bij een belastbare som van meer dan doch niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van de belastbare som dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV – USD 51.250 – 29,4% USD 51.250 – USD 38,4% A de technisch toelaatbare maximummassa van een vrachtwagen in beladen toestand; de maximummassa die, voor zover de vrachtwagen mag worden uitgerust met een of meer aanhangwagens of opleggers, wordt vermeerderd met de technisch toelaatbare maximummassa van de aanhangwagens of opleggers in beladen toestand die de vrachtwagen maximaal mag trekken;. B emissievrij zijn en een maximummassa hebben van maximaal 4.250 kilogram. C D B A B A B C C D E F A B 1. Bij de toepassing van de artikelen 10.1, eerste lid, 10.3, tweede lid, en 10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de betreffende bedragen niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,027782. 2. Bij de toepassing van artikel 10.1, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 wordt het betreffende bedrag niet vermenigvuldigd met de uitkomst van de daarin opgenomen formule, maar, in afwijking van het eerste lid, met 1,02083650. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de bedragen, genoemd in de artikelen 4.17a, achtste lid, onderdeel c, 5.5, 9.4, eerste lid, onderdeel c, en 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. dit tarief voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in dat lid;. dit tarief voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in dat lid;. 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat: artikel I, onderdeel A, onder 1, en artikel III, onderdeel B, onder 1, eerst toepassing vinden nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2026 is toegepast; artikel I, onderdeel Aa, toepassing vindt nadat artikel 10b.1, tweede lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2026 is toegepast; artikel I, onderdeel B, en artikel III, onderdeel A, terugwerken tot en met 1 januari 2020; artikel I, onderdelen F en G, onder 1, en artikel XL terugwerken tot en met 25 augustus 2025, 16.00 uur; artikel IV, onderdeel aA, toepassing vindt nadat artikel 35o van de Wet op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2026 is toegepast; artikel VII toepassing vindt voordat artikel V, onderdelen E en G, van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen wordt toegepast; artikel XI, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2025; artikel XXXIII voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingaanslagen erfbelasting ter zake van overlijdens die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden; artikel XXXVII toepassing vindt voordat de artikelen III en IX van het Belastingplan 2024 worden toegepast; artikel XXXVIII, onderdeel A, toepassing vindt voordat de artikelen II en IX, onderdeel A, van het Belastingplan 2025 worden toegepast; artikel XXXVIII, onderdeel D, toepassing vindt voordat artikel XLIII van het Belastingplan 2025 wordt toegepast. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel C, onder 1, met ingang van 1 januari 2028 in werking. 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XVII, onderdelen Aa en B, in werking op het tijdstip waarop artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt. 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXXVA in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2026. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 36 812
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in