Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020)
This provision covers electronic messaging choices, invoice content rules, publication of certain tax penalty decisions, and several tax calculation rules and thresholds.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 27 Dec 2019
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020)
AI-assisted research summary: This provision covers electronic messaging choices, invoice content rules, publication of certain tax penalty decisions, and several tax calculation rules and thresholds.
Staatsblad Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A Vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger verstaan een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. B het schip in tijd- of reischarter houdt, mits: de belastingplichtige daarnaast een of meer schepen beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef van dit lid en onderdeel a, waarbij schepen in mede-eigendom alleen in aanmerking worden genomen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt; en het jaartotaal van de netto-dagtonnages van de schepen die de belastingplichtige in tijd- of reischarter houdt en die niet de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte niet meer bedraagt dan 75% van het vóór toepassing van dit subonderdeel bepaalde jaartotaal van de netto-dagtonnages van de schepen, bedoeld in het eerste lid, waarbij van schepen in mede-eigendom de netto-dagtonnages slechts in aanmerking worden genomen naar rato van de mate van mede-eigendom in die schepen, tenzij de belastingplichtige zowel het volledige bemanning- en technische beheer als commerciële beheer van die schepen verricht; of. C het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan dat vervoer, indien de bruto-omzet behaald met de exploitatie van dat schip grotendeels met die werkzaamheden is behaald;. D A 1. Een belanghebbende heeft met betrekking tot de berichten van de Belastingdienst/Toeslagen de keuze tussen hetzij verzending van alle berichten langs elektronische weg, hetzij verzending van alle berichten anders dan langs elektronische weg. 3. Bij ministeriële regeling kunnen berichten, groepen van belanghebbenden of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat de Belastingdienst/Toeslagen berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan een belanghebbende verzendt. 4. Een belanghebbende kan een op grond van het eerste lid gemaakte keuze herzien. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de eerste zin. 5. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het derde lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. B Wijze van verzending berichten aan Belastingdienst/Toeslagen 1. Bij ministeriële regeling kunnen berichten, groepen van belanghebbenden of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat een belanghebbende berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan de Belastingdienst/Toeslagen verzendt. 2. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. C 5. Indien de Belastingdienst/Toeslagen besluit tot openbaarmaking van een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 42a en beide besluiten in één geschrift zijn vervat, wordt een bezwaarschrift tegen de boete geacht mede te zijn gericht tegen de openbaarmaking ervan, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. D E Openbaarmaking van het besluit tot oplegging van een vergrijpboete Openbaarmaking vergrijpboete 1. De Belastingdienst/Toeslagen maakt openbaar het besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete die is opgelegd aan een overtreder als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vanwege een vergrijp als bedoeld in artikel 41 dat door de overtreder opzettelijk is begaan tijdens de door hem beroepsmatig of bedrijfsmatig verleende bijstand bij het aanvragen of wijzigen van een tegemoetkoming door een belanghebbende, binnen tien werkdagen na het laatste van de volgende momenten: het moment van onherroepelijk worden van het besluit tot openbaarmaking; het moment van onherroepelijk worden van het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete. 2. De Belastingdienst/Toeslagen stelt de overtreder, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen voordat de Belastingdienst/Toeslagen besluit tot openbaarmaking. 3. De Belastingdienst/Toeslagen gaat niet over tot openbaarmaking als bedoeld in het eerste lid indien de overtreder, bedoeld in het eerste lid, daardoor onevenredig in zijn belang zou worden getroffen. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede en derde lid. 5. Indien de Belastingdienst/Toeslagen het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, openbaar maakt, maakt hij tevens de volgende gegevens op de website van de Belastingdienst openbaar, voor zover deze niet reeds blijken uit het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete: de naam van de overtreder; de wettelijke grondslag van de boete; het bedrag van de boete; de dagtekening van de boete; het jaar waarin de beboetbare gedraging is begaan; de naam van de plaats waar de overtreder het vergrijp, bedoeld in het eerste lid, heeft begaan. 6. Het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst. 7. De gegevens, bedoeld in het vijfde lid, blijven gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst. een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;. A B Bij regeling van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat kunnen regels worden gesteld op grond waarvan wordt vastgesteld in hoeverre bij een verstoring van de voorziening, bedoeld in artikel 22, tweede lid, of artikel 27, achtste lid, sprake is van verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding ter zake van: een aanvraag als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid; een opgave als bedoeld in artikel 22, vierde lid; of een mededeling als bedoeld in artikel 24, tweede lid, of artikel 27, vierde lid. A 4. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger verstaan: voor zover in de relatie tot de andere staat een verdrag van toepassing is dat, of een regeling is getroffen die, voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst: het begrip vaste inrichting zoals dat geldt voor de toepassing van die regeling; voor zover in de relatie tot de andere staat niet een verdrag als bedoeld in onderdeel a van toepassing is en geen regeling als bedoeld in dat onderdeel is getroffen: een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, met dien verstande dat de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden slechts dan een vaste inrichting is indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt. 5. In afwijking in zoverre van het vierde lid, onderdeel b, wordt niet als een vaste inrichting beschouwd: het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de belastingplichtige toebehorende goederen of koopwaar; het aanhouden van een voorraad van aan de belastingplichtige toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering; het aanhouden van een voorraad van aan de belastingplichtige toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een ander; het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen; het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen; het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden; mits de werkzaamheid, of, voor de toepassing van onderdeel f, het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting, van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft. 6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien een belastingplichtige een vaste bedrijfsinrichting in een andere staat gebruikt of aanhoudt en die belastingplichtige of een gelieerd lichaam of gelieerde natuurlijk persoon op die of een andere plaats in die staat werkzaamheden uitoefent, en: die plaats een vaste inrichting vormt voor die belastingplichtige of dat gelieerde lichaam of die gelieerde natuurlijk persoon; of het totaal van de werkzaamheden, bedoeld in de aanhef, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft; mits de werkzaamheden, bedoeld in de aanhef, aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering. 7. Indien: een belastingplichtige in een andere staat werkzaamheden uitoefent op een plaats van uitvoering van een bouwwerk of op een plaats van constructie- of installatiewerkzaamheden en die werkzaamheden worden uitgeoefend gedurende een of meer tijdvakken die in totaal langer duren dan 30 dagen, maar twaalf maanden niet overschrijden; en op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of op die plaats van constructie- of installatiewerkzaamheden gedurende meerdere tijdvakken, waarvan ieder tijdvak langer duurt dan 30 dagen, met dat bouwwerk of die constructie- of installatiewerkzaamheden verband houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door een of meer gelieerde lichamen of natuurlijk personen; worden bij de vaststelling van de periode van twaalf maanden, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, die tijdvakken gevoegd bij de totale periode waarin die belastingplichtige werkzaamheden heeft uitgeoefend op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of op die plaats van constructie- of installatiewerkzaamheden. 8. Indien een lichaam of een natuurlijk persoon, niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het negende lid, voor een belastingplichtige optreedt in een andere staat en daarbij gewoonlijk overeenkomsten afsluit of gewoonlijk de voornaamste rol speelt bij het afsluiten van overeenkomsten die stelselmatig zonder materiële wijziging door die belastingplichtige worden afgesloten: en die overeenkomsten worden afgesloten: in naam van die belastingplichtige; voor de eigendomsoverdracht of voor het verlenen van het gebruiksrecht van goederen die aan die belastingplichtige toebehoren of ter zake waarvan die belastingplichtige het gebruiksrecht heeft; of voor het verstrekken van diensten door die belastingplichtige; en de werkzaamheden van het lichaam of de natuurlijk persoon niet beperkt blijven tot werkzaamheden als bedoeld in het vijfde en zesde lid die, indien zij zouden worden uitgeoefend met behulp van een vaste bedrijfsinrichting, die vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van die leden niet tot een vaste inrichting zouden maken; heeft die belastingplichtige voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel b, in die staat een vaste inrichting ter zake van alle werkzaamheden die dat lichaam, onderscheidenlijk die natuurlijk persoon, voor die belastingplichtige verricht. 9. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel b, heeft een belastingplichtige geen vaste inrichting indien voor hem een lichaam of een natuurlijk persoon in een andere staat optreedt en dat lichaam, onderscheidenlijk die natuurlijk persoon, in die staat een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke vertegenwoordiger en voor die belastingplichtige handelt in de normale uitoefening van dat bedrijf. Indien dat lichaam, onderscheidenlijk die natuurlijk persoon, evenwel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend optreedt voor de belastingplichtige of een of meer gelieerde lichamen of natuurlijk personen, wordt dat lichaam, onderscheidenlijk die natuurlijk persoon, niet aangemerkt als een onafhankelijke vertegenwoordiger. 10. Voor de toepassing van dit artikel wordt als gelieerd lichaam of gelieerde natuurlijk persoon aangemerkt: een lichaam waarin de belastingplichtige een belang heeft; een lichaam dat of een natuurlijk persoon die een belang heeft in de belastingplichtige. 11. Indien een natuurlijk persoon of een lichaam een belang heeft in de belastingplichtige en in een of meer andere lichamen, wordt voor de toepassing van dit artikel ieder van die lichamen aangemerkt als een gelieerd lichaam. 12. Onder een belang als bedoeld in het tiende en elfde lid wordt verstaan een belang dat: meer dan 50% bedraagt van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van het lichaam en meer dan 50% vertegenwoordigt van de statutaire stemrechten in het lichaam; of recht geeft op meer dan 50% van de winst van het lichaam. B C D 1. De inspecteur stelt het bedrag van het voort te wentelen saldo aan renten, bedoeld in artikel 15b, vijfde lid, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met de aanslag over het jaar waarin dat saldo is ontstaan. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 2. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking, bedoeld in dat lid, herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde lid en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing. 1. Het voortgewentelde saldo aan renten dat ingevolge artikel 15b, vijfde lid, in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een jaar wordt door de inspecteur, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar, vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2. Het bedrag van het in aftrek gekomen voortgewentelde saldo aan renten wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 3. Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 15b, vijfde lid, en 15ba. E F G A 1. De belasting voor een personenauto wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel. Bij een CO 2 -uitstoot vanaf tot bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal gram/km CO 2 -uitstoot dat de in kolom I vermelde CO 2 -uitstoot te boven gaat I II III IV 0 gram/km 90 € 366 € 1 90 gram/km 116 € 456 € 57 116 gram/km 162 € 1.938 € 124 162 gram/km 180 € 7.642 € 204 180 gram/km – € 11.314 € 408 Het bedrag van de belasting op grond van de tabel wordt in geval van een personenauto die wordt aangedreven door een motor met een compressieontsteking die zijn kracht kan ontlenen aan diesel vermeerderd met een bedrag van € 78,82 per gram/km CO2-uitstoot boven de 80 gram/km CO2-uitstoot. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting voor een personenauto met ten minste twee verschillende energie-omzetters en ten minste twee verschillende energie-opslagsystemen aan boord ten behoeve van de mechanische aandrijving van de auto, waarbij in ieder geval energie wordt geput uit een opslagvoorziening voor elektrische energie of -kracht, een voorziening die ook door middel van een externe bron oplaadbaar is, bepaald aan de hand van de volgende tabel. Bij een CO 2 -uitstoot vanaf tot bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal gram/km CO 2 -uitstoot dat de in kolom I vermelde CO 2 -uitstoot te boven gaat I II III IV 0 gram/km 34 € 0 € 24 34 gram/km 60 € 816 € 83 60 gram/km – € 2.974 € 199 Het bedrag van de belasting op grond van de tabel wordt in geval van een personenauto die mede wordt aangedreven door een motor met een compressieontsteking die zijn kracht kan ontlenen aan diesel vermeerderd met een bedrag van € 78,82 per gram/km CO2-uitstoot boven de 80 gram/km CO2-uitstoot. 11. Voor de toepassing van dit artikel is de CO2-uitstoot van een personenauto, de CO2-uitstoot gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175). Indien de meting mede met LPG, aardgas of biomethaan als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de auto met LPG, aardgas, respectievelijk biomethaan als brandstofsoort gehanteerd. 12. Indien de CO2-uitstoot uitsluitend is gemeten overeenkomstig bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU 2008, L 199) wordt het bedrag aan belasting bepaald op basis van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief zoals die golden op 30 juni 2020. B C 2. Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 zoals dat artikel luidde op 30 juni 2020 van overeenkomstige toepassing. 2. Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 9, elfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 zoals dat artikel luidde op 30 juni 2020 van overeenkomstige toepassing. 3. Voor een personenauto met een datum eerste toelating die is gelegen voor datum X is voor de toepassing van het eerste lid artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belastingen van personenauto’s 1992 zoals dat artikel luidde op 30 juni 2020 van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan, voor zover die verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van aan die inrichting ter verwijdering afgegeven afvalstoffen ter zake waarvan afvalstoffenbelasting is geheven. A B 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden derden aangewezen die het waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient op hun verzoek verstrekt kunnen krijgen via de landelijke voorziening WOZ en bevoegd zijn tot gebruik van dat waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken ten behoeve van de bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen doeleinden. 2. De bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, aangewezen derde gebruikt een waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken uitsluitend bij de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid. 3. De bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, aangewezen derde is niet bevoegd een waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken verder bekend te maken dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid. A 1. Een belastingplichtige of inhoudingsplichtige heeft met betrekking tot de berichten van de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen de keuze tussen hetzij verzending van alle berichten langs elektronische weg, hetzij verzending van alle berichten anders dan langs elektronische weg. 3. Bij ministeriële regeling kunnen berichten, groepen van belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan een belastingplichtige of inhoudingsplichtige verzendt. 4. Een belastingplichtige of inhoudingsplichtige kan een op grond van het eerste lid gemaakte keuze herzien. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de eerste zin. 5. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het derde lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. B 1. Bij ministeriële regeling kunnen berichten, groepen van belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat een belastingplichtige of inhoudingsplichtige berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen verzendt. 2. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. C 4. Indien voordat de aanslag is vastgesteld gegevens worden verstrekt zonder een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte en die gegevens ook en op dezelfde wijze zouden moeten worden verstrekt in geval van een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die verstrekking van gegevens aangemerkt als het op uitnodiging doen van aangifte als bedoeld in artikel 8, eerste lid. D E 5. Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste zin, of van de termijn, bedoeld in het vierde lid, een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, wordt gedaan of gegevens als bedoeld in artikel 9, vierde lid, worden verstrekt, wordt die termijn met zes maanden verlengd. F 5. Indien een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd en een voor bezwaar vatbare beschikking tot openbaarmaking als bedoeld in artikel 67r, tweede lid, in één geschrift zijn vervat, wordt een bezwaarschrift tegen de boete geacht mede te zijn gericht tegen de openbaarmaking ervan, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. G H I J K L 7. Met betrekking tot het tweede lid, onderdelen a en b, en het vierde lid is artikel 45, tweede en derde lid, van de Successiewet 1956 van overeenkomstige toepassing. M N OPENBAARMAKING VAN DE BOETEBESCHIKKING 1. De inspecteur maakt openbaar de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd aan een overtreder als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vanwege een vergrijp als bedoeld in de artikelen 10a, 67cc, 67d, 67e of 67f dat door de overtreder opzettelijk is begaan tijdens de door hem beroepsmatig of bedrijfsmatig verleende bijstand bij het door de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige voldoen aan diens uit een belastingwet voortvloeiende verplichtingen, binnen tien werkdagen na het laatste van de volgende momenten: het moment van onherroepelijk worden van de beschikking tot openbaarmaking, bedoeld in het tweede lid; het moment van onherroepelijk worden van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 2. Het besluit tot openbaarmaking van de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd wordt uiterlijk genomen op het moment van oplegging van die bestuurlijke boete en geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3. De inspecteur stelt de overtreder, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen voordat hij besluit tot openbaarmaking als bedoeld in het eerste lid. 4. De inspecteur gaat niet over tot openbaarmaking als bedoeld in het eerste lid indien de overtreder, bedoeld in het eerste lid, daardoor onevenredig in zijn belang zou worden getroffen. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het derde en vierde lid. 6. Indien de inspecteur de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, bedoeld in het eerste lid, openbaar maakt, maakt hij tevens de volgende gegevens op de website van de Belastingdienst openbaar, voor zover deze niet reeds blijken uit die beschikking: de naam van de overtreder; de wettelijke grondslag van de boete; het bedrag van de boete; de dagtekening van de boete; het jaar waarin de beboetbare gedraging is begaan; de naam van de plaats waar de overtreder het vergrijp, bedoeld in het eerste lid, heeft begaan. 7. De voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst. 8. De gegevens, bedoeld in het zesde lid, blijven gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst. Na O A 1. Een belastingschuldige heeft met betrekking tot de berichten van de directeur, de ontvanger of de belastingdeurwaarder de keuze tussen hetzij verzending van alle berichten langs elektronische weg, hetzij verzending van alle berichten anders dan langs elektronische weg. 3. Bij ministeriële regeling kunnen berichten, groepen van belastingschuldigen of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat de directeur, de ontvanger of de belastingdeurwaarder berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan een belastingschuldige verzendt. 4. Een belastingschuldige kan een op grond van het eerste lid gemaakte keuze herzien. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de eerste zin. 5. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het derde lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. B 1. Bij ministeriële regeling kunnen berichten, groepen van belastingschuldigen of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat een belastingschuldige berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan de directeur, de ontvanger of de belastingdeurwaarder verzendt. 2. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. C 2. Financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid zijn gehouden aan de ontvanger kosteloos de volgende gegevens inzake houders van bankrekeningen te verstrekken, voor zover die gegevens van belang zijn voor het afboeken van een door de ontvanger ontvangen betaling op een in te vorderen bedrag: met betrekking tot een natuurlijk persoon: de naam, het adres en de geboortedatum; in andere gevallen en voor zover beschikbaar: de naam, het adres en een uniek nummer als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 of hiermee vergelijkbaar identificatienummer. A B 25 percent voor personenauto’s met een CO2-uitstoot;. nihil voor personenauto’s zonder een CO2-uitstoot;. C 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting: 25 percent voor personenauto’s met een CO2-uitstoot; nihil voor personenauto’s zonder een CO2-uitstoot. D E F Factuurplicht administratieplichtigen 1. Administratieplichtigen zijn gehouden ter zake van levering van goederen en het voor derden verrichten van werkzaamheden of diensten een factuur uit te reiken en een kopie daarvan te bewaren. Deze factuur dient doorlopend genummerd en gedagtekend te zijn en dient, in afwijking in zoverre van artikel 6.14, derde lid, op duidelijke en overzichtelijke wijze te bevatten: de datum waarop de levering, de werkzaamheid of de dienst is verricht; een omschrijving van de aard en de hoeveelheid van de goederen, werkzaamheden of diensten die zijn geleverd of zijn verricht, alsmede het ter zake daarvan in rekening gebrachte bedrag; en de naam, het adres en het door de Belastingdienst toegekende registratienummer van degene die de levering, de werkzaamheid of de dienst heeft verricht alsmede, indien dit een administratieplichtige is, van degene aan wie de levering, de werkzaamheid of de dienst is verricht. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. A 4. Het bedrag van de belasting, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, wordt voor een personenauto met aandrijving door een kracht die wordt ontleend aan dieselolie of een product dat ingevolge artikel 28 van de Wet op de accijns gelijkwaardig is aan gasolie of een combinatie van deze brandstoffen verhoogd met een fijnstoftoeslag van 19 percent van dat bedrag indien: de fijnstofuitstoot meer bedraagt dan 5 milligram per kilometer, zijnde de Euro 5-emissiegrenswaarde, bedoeld in bijlage I, tabel 1, van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU 2007, L 171); of de fijnstofuitstoot meer bedraagt dan 10 milligram per kilowattuur, zijnde de Euro VI-emissiegrenswaarde, bedoeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEU 2009, L 188). B Met betrekking tot de periode die loopt tot en met het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029 blijft artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, en zesde lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals dat artikel luidde op 31 december 2019 van toepassing met betrekking tot schepen waarvoor de belastingplichtige op dat tijdstip reeds de winst uit zeescheepvaart bepaalt aan de hand van de tonnage, bedoeld in artikel 3.22 van die wet. 1. Vanaf de datum waarop artikel II, onderdeel A, artikel XI, onderdeel A, en artikel XII, onderdeel A, in werking treden, worden met betrekking tot de belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige die: geen geactiveerde Berichtenbox heeft; of op eigen verzoek is geplaatst op een lijst van personen naar wie berichten anders dan langs elektronische weg worden verzonden; alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg verzonden totdat die belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige een keuze heeft gemaakt voor verzending van alle berichten langs elektronische weg. 2. Ten behoeve van de verzending van alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan de Belastingdienst/Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties burgerservicenummers opvragen en verstrekt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die burgerservicenummers. 3. Ten behoeve van de verzending van alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan de Belastingdienst/Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de burgerservicenummers verstrekken van de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt in de Berichtenbox van de belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid, dat alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg worden verzonden. 1. Voor de toepassing van de keuzeregeling, bedoeld in het in artikel II, onderdeel A, opgenomen artikel 13, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, het in artikel XI, onderdeel A, opgenomen artikel 3a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het in artikel XII, onderdeel A, opgenomen artikel 7c, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, bepaalt de Belastingdienst/Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder een standaardwaarde voor de belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige en belastingschuldige die na de datum waarop artikel II, onderdeel A, artikel XI, onderdeel A, en artikel XII, onderdeel A, in werking zijn getreden, niet binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een keuze heeft gemaakt. De standaardwaarde is de voor die belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige ingevolge de eerste zin bepaalde keuze voor hetzij verzending van alle berichten langs elektronische weg, hetzij verzending van alle berichten anders dan langs elektronische weg. 2. Ten behoeve van het bepalen van de standaardwaarde, bedoeld in het eerste lid, kan de Belastingdienst/Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties burgerservicenummers opvragen en verstrekt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die burgerservicenummers. Bij ministeriële regeling wordt bepaald aan welke voorwaarden die burgerservicenummers moeten voldoen om te worden opgevraagd en verstrekt. 3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt de standaardwaarde, bedoeld in het eerste lid. Artikel II, onderdelen C en E, en artikel XI, onderdelen F tot en met I en N, vinden voor het eerst toepassing op besluiten tot oplegging van een bestuurlijke boete die betrekking heeft op een overtreding die is begaan op of na 1 januari 2020. De artikelen 9, 11 en 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zoals die luidden op 31 december 2019 blijven van toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en verstrekte gegevens als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van die wet dat betrekking heeft, onderscheidenlijk die betrekking hebben, op belastingschulden die ingevolge artikel 11, vierde lid, van die wet geacht worden te zijn ontstaan op een tijdstip waarop een tijdvak dat vóór 1 januari 2020 is aangevangen eindigt of zijn ontstaan op een tijdstip dat vóór 1 januari 2020 is gelegen. 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat: artikel I, onderdelen B en C, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020; artikel V, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2018; artikel X, onderdeel B, en artikel XV terugwerken tot en met 1 oktober 2016; artikel XI, onderdelen J en K, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingaanslagen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen op of na 1 januari 2019. 2. In afwijking van het eerste lid treden artikel II, onderdelen A en B, artikel XI, onderdelen A en B, en artikel XII, onderdelen A en B, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VIII in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij in het in artikel VIII, onder 2, opgenomen artikel 23b, derde lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 «datum X» wordt vervangen door de datum van inwerkingtreding van artikel VIII. 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XI, onderdeel Na, in werking met ingang van 1 januari 2021. Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2020. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 303
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in