Beschikking van de Minister van Justitie van 29 augustus 1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995
This text sets rules for the Tariefcommissie, its members, procedures, and fees for appeals.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 12 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Beschikking van de Minister van Justitie van 29 augustus 1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Beschikking van de Minister van Justitie van 29 augustus 1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995
AI-assisted research summary: This text sets rules for the Tariefcommissie, its members, procedures, and fees for appeals.
Aanhef Lichaam Ondertekening TEKST VAN DE TARIEFCOMMISSIEWET, ZOALS DEZE LUIDT MET INGANG VAN 1 JUNI 1995 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 3a Artikel 3b Artikel 4 Artikel 5 Artikel 5a Artikel 6 Artikel 7 Artikel 7a Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 11a Artikel 11b Artikel 11c Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Beschikking van de Minister van Justitie van 29 augustus 1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995 De Minister van Justitie, Gelet op artikel XXVII van de wet van 12 april 1995, Stb. 227; Besluit: de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. 's-Gravenhage, 29 augustus 1995 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager Uitgegeven de vijfde september 1995 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager TEKST VAN DE TARIEFCOMMISSIEWET, ZOALS DEZE LUIDT MET INGANG VAN 1 JUNI 1995 Artikel 1 1. Er is een Tariefcommissie. 2. De Tariefcommissie is gevestigd te Amsterdam. 3. De Tariefcommissie heeft een door Ons te bepalen aantal kamers. 4. Kamers van de Tariefcommissie kunnen ook elders dan te Amsterdam zitting houden. Artikel 2 1. De Tariefcommissie bestaat uit gewone leden, onder wie de voorzitter en een of meer ondervoorzitters, plaatsvervangende leden en buitengewone leden. 2. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen door een ondervoorzitter. 3. Onze Minister van Justitie kan, met diens toestemming, een gewoon lid belasten met de waarneming van het ambt van voorzitter. Artikel 3 1. De gewone leden, de voorzitter en de ondervoorzitters, alsmede de plaatsvervangende leden worden door Ons voor het leven benoemd op voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan na overleg met Onze Minister van Financiën. Zij moeten voldoen aan de vereisten voor benoeming tot raadsheer in de belastingkamer van een gerechtshof. Bij het bereiken van de volle ouderdom van 70 jaren wordt hun door Ons ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. 2. In afwijking van het in de tweede zin van het eerste lid bepaalde, kunnen Wij gewone leden benoemen, die niet aan de aldaar genoemde vereisten voldoen, maar die overigens bijzondere bekwaamheden voor het lidmaatschap van de Tariefcommissie hebben. Het aantal krachtens dit lid benoemde gewone leden mag ten hoogste een derde van het werkelijk totaal aantal gewone leden bedragen. De krachtens dit lid benoemde gewone leden worden niet benoemd tot voorzitter of ondervoorzitter. 3. Wanneer een plaats van gewoon lid of plaatsvervangend lid te vervullen valt, maakt de Tariefcommissie een lijst van aanbeveling van 3 kandidaten op, die aan Ons wordt aangeboden, om daarop zodanig acht te slaan als Wij dienstig zullen oordelen. Artikel 3a Op de gewone leden is artikel 7b van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat omtrent verzoeken van hen die bij de Tariefcommissie zijn aangesteld met uitzondering van de voorzitter, het advies wordt ingewonnen van de voorzitter. Artikel 3b Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren bij de Tariefcommissie die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke werktijd is artikel 15 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van het tweede lid, onder a, van dat artikel de ontheffing kan worden verleend door de voorzitter van de Tariefcommissie. Artikel 4 1. De buitengewone leden worden door Ons voor een termijn van vier jaren benoemd op voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan na overleg met Onze Minister van Financiën. 2. Wanneer een plaats van buitengewoon lid te vervullen valt, maakt de Tariefcommissie een lijst van aanbeveling van 3 kandidaten op, die aan Ons wordt aangeboden, om daarop zodanig acht te slaan als Wij dienstig zullen oordelen. 3. Voordat een aanbeveling in de zin van het vorige lid wordt opgemaakt, vraagt de Tariefcommissie het advies van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Kamers van Koophandel en Fabrieken alsmede organisaties op het gebied van handel, industrie landbouw en verkeer. De adviezen van deze Kamers en organisaties worden bij de aanbeveling overgelegd. Artikel 5 1. Echtgenoten kunnen niet tezamen deel uitmaken van de Tariefcommissie. Indien het huwelijk eerst mocht worden aangegaan na de benoeming zal de jongste in leeftijd zijn ambt niet kunnen behouden. 2. Bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad ingesloten kunnen niet tezamen deel uitmaken van de Tariefcommissie. Indien zwagerschap eerst mocht zijn ontstaan na de benoeming, zal degene die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden. De zwagerschap houdt op door het overlijden van degene die haar veroorzaakte. 3. De gewone leden, de plaatsvervangende leden en de buitengewone leden van de Tariefcommissie mogen niet tevens lid van de Hoge Raad, Minister of Staatssecretaris, ambtenaar, werkzaam bij een der departementen van algemeen bestuur of bij een dienst of instelling behorende tot het Ministerie van Financiën zijn. Artikel 5a 1. Wij kunnen aan de voorzitter, de ondervoorzitters en de overige gewone leden op hun verzoek buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verlenen. De verlening geschiedt voor een daarbij te bepalen periode; hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden. 2. Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid van ondervoorzitters en overige gewone leden wordt niet beslist dan nadat daarover het advies is ingewonnen van de voorzitter. 3. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dit verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door degene die het betreft. 4. Het derde lid van artikel 5 is niet van toepassing op hen die in het genot van buitengewoon verlof zijn. Artikel 6 1. Het in de artikelen 11–14 van de Wet op de rechterlijke organisatie voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde is ten aanzien van de gewone en buitengewone leden van de Tariefcommissie van toepassing, met dien verstande dat de voorzitter de in artikel 14, eerste lid, van de genoemde wet geregelde bevoegdheid ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad uitoefent ten aanzien van hen die naast hem deel uitmaken van de Tariefcommissie en de president van de Hoge Raad die bevoegdheid ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad uitoefent ten aanzien van de voorzitter van de Tariefcommissie. 2. Het in de artikelen 14a–14e van de Wet op de rechterlijke organisatie voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde is van toepassing ten aanzien van de gewone en buitengewone leden van de Tariefcommissie, met dien verstande dat de Hoge Raad de voorzitter van de Tariefcommissie in de gelegenheid stelt mondeling of schriftelijk inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen omtrent een aanhangige klacht als bedoeld in artikel 14a van de genoemde wet te doen blijken, indien de klacht is gericht tegen een der genen die naast hem deel uitmaken van de commissie. 3. Het is aan de gewone en buitengewone leden verboden: a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen bekend te maken; b. de gevoelens te openbaren, welke in de raadkamer over aanhangige gedingen zijn geuit; c. over een voor de Tariefcommissie aanhangig geding of een geding, dat naar zij weten of vermoeden voor de Tariefcommissie aanhangig zal worden gemaakt, zich in te laten in enig onderhoud of gesprek met partijen of hun raadslieden of van deze enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk aan te nemen. 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden. Artikel 7 1. De beslissingen op bij de Tariefcommissie ingestelde beroepen worden genomen door een Kamer. 2. De voorzitter bepaalt de samenstelling van de Kamers en de orde van haar werkzaamheden. 3. Iedere Kamer is samengesteld uit drie of vier gewone leden, waaronder de voorzitter of een der ondervoorzitters, en twee of één buitengewone leden, in totaal uit vijf leden. Een gewoon lid kan worden vervangen door een plaatsvervangend lid. 4. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen. Artikel 7a De artikelen 5b tot en met 5g van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 8 Aan de behandeling van en de beslissing op beroepen, waarbij een lid van de Tariefcommissie, dan wel zijn echtgenoot of een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, betrokken is, neemt dat lid geen deel. Artikel 9 1. Wij benoemen op voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan na overleg met Onze Minister van Financiën, een secretaris en zo nodig een of meer adjunct-secretarissen van de Tariefcommissie. 2. Onze Minister van Justitie kan, na overleg met Onze Minister van Financiën, ambtenaren toegevoegd aan de secretaris benoemen. 3. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van de secretaris, worden zijn taken waargenomen door een adjunct-secretaris, of bij gebreke daarvan door een toegevoegd ambtenaar, een en ander volgens rang van benoeming. 4. De in artikel 6, derde lid, onderdelen a en b, omschreven verbodsbepalingen gelden ook voor de secretaris, de adjunct-secretarissen en de aan de secretaris toegevoegde ambtenaren. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over het verrichten van diensten door het secretariaat ten behoeve van andere met rechtspraak belaste colleges dan de Tariefcommissie. Artikel 10 1. De gewone en buitengewone leden alsmede de secretaris en de adjunct-secretarissen leggen de eed of de belofte af, die voor rechterlijke ambtenaren is voorgeschreven. 2. De eed of de belofte wordt door de voorzitter afgelegd in handen van de president van de Hoge Raad, door de overige gewone leden, door de buitengewone leden, door de secretaris en door de adjunct-secretarissen in handen van de voorzitter. 3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden. Artikel 11 1. De uitspraken van de Tariefcommissie worden schriftelijk gedaan, zij vermelden de beslissing en zijn met redenen omkleed. Zij vermelden wanneer en door wie zij zijn vastgesteld en worden door de voorzitter van de Kamer die de uitspraak heeft gedaan, alsmede door de secretaris ondertekend. 2. Indien de voorzitter van de Kamer die de uitspraak heeft gedaan zich in de onmogelijkheid bevindt om de uitspraak te ondertekenen, wordt dit verricht door een van de leden die over de zaak gezeten hebben. 3. De Tariefcommissie spreekt de beslissing in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de secretaris. 4. De secretaris zendt een afschrift van de uitspraak aan partijen. Artikel 11a 1. Van degene die beroep instelt, wordt door de secretaris van de Tariefcommissie een recht geheven van f 150. 2. De voorzitter verleent vermindering met f 110 van het ter zake van het beroep verschuldigde recht, indien uit het beroepschrift blijkt dat het betrokken bedrag onderscheidenlijk – bij gebreke van zodanig bedrag – het belang waarvoor het geschil loopt, niet hoger is onderscheidenlijk gewaardeerd wordt op een bedrag dat niet hoger is dan f 150. Een vermindering kan voorlopig worden verleend. 3. De voorzitter verleent aan natuurlijke personen vermindering met f 110 onderscheidenlijk f 75 van het terzake van het beroep verschuldigde recht indien hun inkomen, blijkens een door hen over te leggen afschrift van het bewijs van toevoeging dan wel de door hen over te leggen verklaring of bescheiden als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, niet meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid, onderdelen a tot en met f, onderscheidenlijk g tot en met l, van die wet is bedoeld. Een vermindering kan voorlopig worden verleend. 4. Het beroep wordt niet in behandeling genomen voordat het verschuldigde recht ter secretarie van de Tariefcommissie is gestort. Indien het verschuldigde recht niet is gestort binnen acht weken na de dag van verzending van een mededeling waarin de secretaris de indiener op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen, wordt deze niet-ontvankelijk verklaard. Wanneer het verschuldigde recht is gestort na afloop van deze termijn, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat het recht is gestort zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. 5. Aan degene die beroep instelt, wordt bij intrekking van het beroep op grond van het feit dat geheel of gedeeltelijk aan diens bezwaren is tegemoetgekomen, het door hem gestorte recht vergoed door de inspecteur. In de overige gevallen heeft de inspecteur bij intrekking van het beroep de bevoegdheid het gestorte recht geheel of gedeeltelijk te vergoeden. 6. Bij gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep houdt de uitspraak tevens in, dat aan de indiener van het beroep het door hem gestorte recht wordt vergoed door de inspecteur. Bij ongegrondverklaring van het beroep kan de Tariefcommissie gelasten dat het gestorte recht geheel of gedeeltelijk door de inspecteur wordt vergoed. 7. De in dit artikel genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft. 8. Voor het verstrekken van afschriften van en van uittreksels uit uitspraken, registers of andere stukken van de Tariefcommissie, al of niet voor afschrift of uittreksel getekend, ten behoeve van personen of instellingen die geen partij zijn geweest, vindt het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken overeenkomstige toepassing. Zodanige verstrekking geschiedt met machtiging van de voorzitter. Artikel 11b 1. De Tariefcommissie is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de Tariefcommissie redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. 2. In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand wordt het bedrag van de kosten betaald aan de secretaris van de Tariefcommissie. Artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de inspecteur in de kosten wordt veroordeeld, wijst de Tariefcommissie de rechtspersoon aan die de kosten moet vergoeden. 4. Indien het beroep is ingesteld tegen een uitspraak op een bezwaarschrift ingevolge artikel 108, zesde lid, van de Wet inzake de douane zijn het derde lid en artikel 11c van overeenkomstige toepassing. Artikel 11c 1. In geval van intrekking van het beroep omdat de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de inspecteur op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 11b in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. 2. De Tariefcommissie stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt de inspecteur in de gelegenheid een vertoogschrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de Tariefcommissie bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden. 3. Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de Tariefcommissie het onderzoek. 4. In de overige gevallen worden partijen uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de Tariefcommissie te verschijnen, tenzij partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van het onderzoek ter zitting. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 12 1. Is de Tariefcommissie kennelijk onbevoegd of is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond, dan kan, zonder dat een nader onderzoek vereist is, de voorzitter bij met redenen omklede beschikking de Tariefcommissie onbevoegd of het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren. 2. De secretaris doet afschrift van de beschikking per aangetekende brief aan de verzoeker toekomen. 3. Tegen de in het eerste lid vermelde beschikking kan de verzoeker schriftelijk verzet doen bij de Tariefcommissie. 4. Ten gevolge van dat verzet vervalt de beschikking, tenzij het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard. 5. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 109, tweede lid, van de Wet inzake de douane zijn van overeenkomstige toepassing. Desverlangd geeft de secretaris bewijs van ontvangst van de schriftuur, waarbij verzet wordt gedaan. 6. Is de Tariefcommissie van oordeel, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, of dat de Tariefcommissie kennelijk onbevoegd is, dan kan zij zonder nader onderzoek het verzet ongegrond verklaren, echter niet dan na hem, die het verzet gedaan heeft, in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. Artikel 13 1. De artikelen 11a, eerste en tweede lid, en 13 tot en met 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken zijn van overeenkomstige toepassing. 2. De Tariefcommissie kan de uitoefening van de in de artikelen 14, eerste lid en, voor wat betreft het raadplegen van deskundigen, 15, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken bedoelde bevoegdheden opdragen aan de secretaris. De Tariefcommissie kan de secretaris tevens opdragen door zelfstandig onderzoek de nodige gegevens te verzamelen. De secretaris brengt van zijn bevindingen een schriftelijk verslag uit. Met dit verslag wordt gehandeld als met een verslag van deskundigen overeenkomstig artikel 15, zesde lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 3. De secretaris kan de hem krachtens het tweede lid opgedragen taken geheel of gedeeltelijk doen verrichten door de adjunct-secretarissen of overige ambtenaren van het secretariaat. Artikel 14 1. De Tariefcommissie geeft Onze Minister van Financiën desgevraagd inlichtingen over aangelegenheden, de toepassing van het tarief van invoerrechten betreffende. 2. Voor de uitvoering van deze taak wordt de commissie samengesteld uit de voorzitter, vier andere gewone leden en twee buitengewone leden. Artikel 15 Het reglement van orde voor de Tariefcommissie wordt door Ons, op voordracht van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, vastgesteld. De regeling van onderwerpen van inwendige dienst kunnen Wij aan de Tariefcommissie overlaten. Artikel 16 1. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wat hun bezoldiging betreft de voorzitter is gelijkgesteld met de president van, de ondervoorzitters en de gewone leden die het lidmaatschap als hoofdfunctie bekleden zijn gelijkgesteld met de vice-presidenten van, de overige gewone leden zijn gelijkgesteld met de raadsheren in en de plaatsvervangende leden zijn gelijkgesteld met de raadsheren-plaatsvervangers in een gerechtshof. 2. Indien iemand die met toepassing of overeenkomstige toepassing van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt bezoldigd voor het vervullen van een volledige werktijd tevens wordt aangesteld als voorzitter, ondervoorzitter of gewoon lid van de Tariefcommissie, wordt zijn salaris tot en met de laatste dag van de maand waarin de aanstelling bij de Tariefcommissie wordt beëindigd, vermeerderd met 1/5 deel van het salaris dat is verbonden aan het vervullen van een volledige werktijd in het ambt waarin hij bij de Tariefcommissie is aangesteld. 3. De aan de buitengewone leden toe te kennen beloning wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Artikel 17 Deze wet wordt aangehaald als: Tariefcommissiewet.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Beschikking van de Minister van Justitie van 29 augustus 1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in