Wet van 16 maart 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking (Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking)
This provision introduces a minimum CO2 tax for electricity generation and requires operators of covered installations to monitor emissions, file an annual electricity emissions report, and update records when required.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 4 Apr 2022
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 16 maart 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking (Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 16 maart 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking (Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking)
AI-assisted research summary: This provision introduces a minimum CO2 tax for electricity generation and requires operators of covered installations to monitor emissions, file an annual electricity emissions report, and update records when required.
Staatsblad Wet van 16 maart 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking (Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking) Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A een minimum CO2-prijs. B MINIMUM CO2-PRIJS BEGRIPSBEPALINGEN Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: broeikasgas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer; broeikasgasemissierecht als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer; broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer; één ton kooldioxide-equivalent als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer; elektriciteitsemissieverslag als bedoeld in artikel 16a.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer; inrichting als bedoeld in artikel 16a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. GRONDSLAG EN BELASTINGPLICHT Onder de naam minimum CO2-prijs wordt een belasting geheven ter zake van de emissie van broeikasgas als gevolg van de opwekking van elektriciteit. 1. De belasting wordt geheven van degene die op 31 december van het tijdvak een inrichting drijft. 2. Indien op 31 december van het tijdvak geen inrichting meer wordt gedreven, wordt de belasting geheven van degene die als laatste in dat tijdvak de inrichting heeft gedreven. MAATSTAF VAN HEFFING EN VERSCHULDIGDHEID 1. De belasting wordt berekend over het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt overeenkomstig het elektriciteitsemissieverslag van de inrichting. 2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de emissieautoriteit ambtshalve de elektriciteitsjaarvracht heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 16a.8, tweede lid, van de Wet milieubeheer en die vaststelling is onherroepelijk geworden, de belasting berekend over het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt overeenkomstig die vaststelling. De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van broeikasgas plaatsvindt. TARIEF 1. Het tarief bedraagt per ton kooldioxide-equivalent: € 0. 2. Aan het begin van elk kalenderjaar wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, bij regeling van Onze Minister vervangen door een ander tarief. Dit tarief wordt berekend als volgt. Als uitgangspunt wordt genomen het bedrag voor dat kalenderjaar, genoemd in het vierde lid. Vervolgens wordt dat bedrag verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil. 3. De termijnkoers van het broeikasgasemissierecht, bedoeld in het tweede lid, is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar waarvoor het tarief wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan dat jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van broeikasgasemissierechten in die maanden. 4. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde zin, bedraagt voor: het kalenderjaar 2020: € 12,30; het kalenderjaar 2021: € 13,50; het kalenderjaar 2022: € 14,90; het kalenderjaar 2023: € 16,40; het kalenderjaar 2024: € 18,00; het kalenderjaar 2025: € 19,80; het kalenderjaar 2026: € 21,80; het kalenderjaar 2027: € 24,00; het kalenderjaar 2028: € 26,40; het kalenderjaar 2029: € 29,00; de kalenderjaren vanaf 2030: € 31,90. 1. Voor de heffing en invordering van de belasting wordt voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de op die wetten berustende bepalingen onder rijksbelastingdienst verstaan de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit. Hierbij staat deze dienst onder het gezag van de Minister van Financiën. 2. Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit de elektriciteitsjaarvracht, bedoeld in artikel 16a.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ambtshalve vaststelt en deze vaststelling onherroepelijk is geworden op een tijdstip na vier jaren en tien maanden na het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag, bedoeld in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de bevoegdheid tot het opleggen van de boeten, bedoeld in de artikelen 67c en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen twee maanden na het hiervoor bedoelde tijdstip. 3. In afwijking van de artikelen 10, tweede lid, en 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting worden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan uiterlijk op het tijdstip waarop het elektriciteitsemissieverslag moet worden ingediend. 4. Bestaande geheimhoudingsbepalingen staan er niet aan in de weg dat de ambtenaren van de dienst Nederlandse emissieautoriteit gegevens of informatie verkregen op grond van deze afdeling gebruiken voor de taak, bedoeld in hoofdstuk 16a van de Wet milieubeheer, dan wel gegevens of informatie verkregen op grond van de taak, bedoeld in hoofdstuk 16a van de Wet milieubeheer, gebruiken voor de taak, bedoeld in deze afdeling. A B DE EMISSIE VAN BROEIKASGAS BIJ ELEKTRICITEITSOPWEKKING 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: verslag betreffende de emissies in een kalenderjaar als gevolg van elektriciteitsopwekking; plan betreffende de bepaling en registratie van de emissies als gevolg van elektriciteitsopwekking; het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt als gevolg van het opwekken van elektriciteit in de betreffende inrichting in het betreffende kalenderjaar, waarbij een gedeelte van een ton rekenkundig wordt afgerond op een hele ton; echnische eenheid die uitsluitend wordt gebruikt om elektriciteit op te wekken indien de gebruikelijke primaire elektriciteitsvoorziening uitvalt en niet meer dan 50 uren per jaar in werking is; rookgassen die ontstaan bij specifieke processen door onvolledige oxidatie van koolstof houdende brandstoffen; gelijktijdige opwekking in een proces van thermische energie en elektrische of mechanische energie. 2. Artikel 16.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op inrichtingen als bedoeld in de artikelen 16.2, eerste lid, en 16.3, waarin door brandstofverbruik of grondstofgebruik elektriciteit wordt opgewekt, met uitzondering van inrichtingen waarin uitsluitend elektriciteit wordt opgewekt door middel van een noodstroomaggregaat. 2. Artikel 16.2, tweede, is van overeenkomstige toepassing. 1. Degene die een inrichting drijft, monitort de emissie van broeikasgas als gevolg van de opwekking van elektriciteit op basis van een elektriciteitsmonitoringsplan, tenzij het tarief, bedoeld in artikel 71f, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, nihil is. 2. Het elektriciteitsmonitoringsplan of een wijziging daarvan behoeft goedkeuring van het bestuur van de emissieautoriteit. 3. De artikelen 16.6, eerste en derde lid, 16.7, 16.9, 16.11, 16.12, 16.18 en 16.19, eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat telkens: voor «vergunning» wordt gelezen «goedkeuring van een elektriciteitsmonitoringsplan»; voor «vergunninghouder» wordt gelezen «degene die een inrichting drijft»; voor «monitoringsplan» wordt gelezen «elektriciteitsmonitoringsplan»; voor «emissieverslag» wordt gelezen «elektriciteitsemissieverslag»; voor «Verordening monitoring en rapportage emissiehandel» wordt gelezen «de regels gesteld bij of krachtens hoofdstuk 16a». 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot: het melden van een wijziging of een tijdelijke afwijking van het elektriciteitsmonitoringsplan aan het bestuur van de emissieautoriteit; het goedkeuren van een wijziging van het elektriciteitsmonitoringsplan. Het bestuur van de emissieautoriteit weigert de goedkeuring van een elektriciteitsmonitoringsplan indien het elektriciteitsmonitoringsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn bij of krachtens dit hoofdstuk of het bestuur van de emissieautoriteit van oordeel is dat onvoldoende is gewaarborgd dat de aanvrager in staat is het elektriciteitsmonitoringsplan naar behoren uit te voeren. 1. Degene die een inrichting drijft wijzigt het elektriciteitsmonitoringsplan zo spoedig mogelijk, indien: de regels gesteld bij of krachtens hoofdstuk 16a daartoe aanleiding geven; het bestuur van de emissieautoriteit daarom verzoekt. 2. Degene die een inrichting drijft legt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit de meest actuele versie van het elektriciteitsmonitoringsplan over. 1. Degene die een inrichting drijft dient elk jaar een elektriciteitsemissieverslag in bij de emissieautoriteit gelijktijdig met het emissieverslag, bedoeld in artikel 16.1, derde lid, tenzij het tarief, bedoeld in artikel 71f, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, nihil is. 2. Het elektriciteitsemissieverslag bevat de elektriciteitsjaarvracht. 1. Het bestuur van de emissieautoriteit kan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar waarin het elektriciteitsemissieverslag moet worden ingediend, vaststellen dat dit verslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld. Het bestuur van de emissieautoriteit kan de beslissing voor ten hoogste drie maanden verdagen. Van de verdaging wordt voor het in de eerste volzin genoemde tijdstip schriftelijk mededeling gedaan aan degene die het elektriciteitsemissieverslag heeft ingediend. De mededeling omvat de reden voor de verdaging. 2. Het bestuur van de emissieautoriteit kan na het tijdstip, genoemd in het eerste lid, onderscheidenlijk, indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van dat lid, na het tijdstip dat met toepassing van die volzin is vastgesteld alsnog vaststellen dat het elektriciteitsemissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, indien: degene bij het bestuur van de emissieautoriteit een elektriciteitsemissieverslag heeft ingediend, in dat verslag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en verstrekking van juiste of volledige gegevens zou hebben geleid tot de vaststelling van een andere elektriciteitsjaarvracht; het betrokken elektriciteitsemissieverslag anderszins onjuist was en de betrokken persoon dit wist of behoorde te weten. 3. De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, vervalt tien jaren na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid. 1. Bij de opwekking van elektriciteit zonder een warmtekrachtkoppeling, bepaalt en registreert degene die een inrichting drijft zijn elektriciteitsjaarvracht op basis van het brandstofverbruik en het grondstofverbruik overeenkomstig het goedgekeurde elektriciteitsmonitoringsplan. 2. Bij de opwekking van elektriciteit met een warmtekrachtkoppeling, bepaalt en registreert degene die een inrichting drijft zijn elektriciteitsjaarvracht op basis van het brandstofverbruik, de elektriciteitsopwekking en de warmteopwekking overeenkomstig het goedgekeurde elektriciteitsmonitoringsplan. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot: de bepaling en registratie van de elektriciteitsjaarvracht, bedoeld in het eerste en tweede lid; de bepaling en registratie van de elektriciteitsjaarvracht bij de opwekking van elektriciteit door middel van restgassen. 4. Het bestuur van de emissieautoriteit kan de elektriciteitsjaarvracht van een inrichting op basis van een conservatieve schatting ambtshalve vaststellen indien: het elektriciteitsemissieverslag niet of niet tijdig bij de emissieautoriteit is ingediend; het bestuur van de emissieautoriteit ingevolge artikel 16a.7, eerste of tweede lid, heeft verklaard dat het elektriciteitsemissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld. 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in artikel 16a.2, eerste lid, regels worden gesteld die nodig zijn in het belang van de goede werking van het monitoren van emissie als gevolg van elektriciteitsopwekking. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de verificatie van het elektriciteitsemissieverslag. C D 2. In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16a.3, eerste of tweede lid, dan wel het derde lid in verbinding met de artikelen 16.6, eerste en derde lid, 16.12, of 16.19, of de artikelen 16a.5, 16a.6 of 16a.9, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen. E 1. In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16a.3, eerste of tweede lid, dan wel het derde lid in verbinding met de artikelen 16.6, eerste en derde lid, 16.12, of 16.19, of de artikelen 16a.5, 16a.6, 16a.8, eerste en tweede lid, of 16a.9, kan het bestuur van de emissieautoriteit de overtreder een bestuurlijke boete opleggen. 2. In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16a.9, voor zover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan de goedkeuring van een elektriciteitsmonitoringsplan krachtens hoofdstuk 16a, kan het bestuur van de emissieautoriteit de overtreder een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom tezamen opleggen. F G H I Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, met name in relatie tot de ontwikkelingen in het Europese klimaatbeleid. A broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer; 2. Indien op 31 december van het tijdvak geen broeikasgasinstallatie meer wordt geëxploiteerd, wordt de belasting geheven van degene die als laatste in dat tijdvak de broeikasgasinstallatie heeft geëxploiteerd.; B Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2020, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Deze wet wordt aangehaald als: Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 216
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 16 maart 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking (Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in